Welvaart is kunnen drinken wanneer je dorst hebt.


‘Welvaart is drinken, wanneer je geen dorst hebt.’ is de titel van het eerste hoofdstuk uit het boek Economie voor iedereen. Ik was geschokt bij het lezen van deze titel. Misschien geeft deze wel weer wat de meesten onder ons doen, maar het kan toch niet zijn dat we slechts dan de welvaartsstaat zullen bereikt hebben, wanneer we ‘drinken, wanneer we geen dorst hebben’?
Wat betekent welvaart dan wel? Is deze bereikbaar voor iedereen? Een aanzet tot antwoord vond ik onder meer in ‘de economie van het genoeg'.


De economische wetenschap bestudeert de wijze waarop de mensen pogen met de beperkte middelen waarover ze beschikken, een maximale behoeftebevrediging te bereiken. (Eyskens, 1971, p. 10) Behoefte wordt dan gezien als een toestand waarin men verlangt naar iets wat men mist; het is een aandrang om een tekort aan te vullen en vormt een van de belangrijkste drijfveren of motivaties tot handelen (V. Van Rompuy, p. 22).
Economische goederen zijn alle schaarse, stoffelijke dingen of menselijke prestaties (diensten) die de eigenschap bezitten te kunnen dienen tot bevrediging van de menselijke behoeften (V. Van Rompuy, p. 24).
Het economische handelen kan je dan verstaan als het proces van het bevredigen van de menselijke behoeften.


Welk economisch handboek je ook leest, alle schrijvers spreken over ons streven naar welvaart, over de welvaartsmaatschappij.
“In enge zin verstaat men in de economie onder welvaart de verhouding tussen de beschikbare goederen en diensten enerzijds en de bestaande behoeften anderzijds. Wanneer we de welvaart aanduiden met W, de goederen en diensten met G en de behoeften met B, valt de betrekking daarvan te schematiseren aan de hand van de formule:


Welvaartsbreuk
Welvaartsformule: welvaart (W) is gelijk aan goederen en diensten(G) gedeeld door behoeften (B).

De welvaart is dan hoger naarmate de hoeveelheid goederen groter is, maar ook naarmate de behoeften geringer zijn.” (Hartog, p. 9-10, zie ook Van Meerhaeghe, p. 171, en Eyskens, 1987, p.11).
Een toestand van totale welvaart is dan bereikt wanneer de behoeften totaal worden voldaan door de goederen. Of zoals de woordenboek het zegt: “Echte welvaart is het einddoel van ons economisch handelen en kan je dan beschrijven als een toestand van volle behoeftebevrediging.” (Van Dale).



Hoe komen we tot deze ‘echte welvaart’?


De meeste ‘klassieke’ economisten schenken bijna uitsluitend aandacht aan het verhogen, het verbeteren van de productiemiddelen als dé manier om de ‘definitieve welvaart’ te realiseren. Anders gezegd: ze stellen dat we moeten proberen de welvaart te bereiken door de hoeveelheid goederen (G) van onze breuk toe te laten nemen, zodat onze behoeften (B) worden bevredigd door G.


Ze stellen dus dat we, met onze moderne middelen, in staat zijn om alle behoeften te voldoen. ’t Is slechts een kwestie van een voortdurende en inventieve economische inspanning. Maar zo eenvoudig is een en ander niet. Integendeel, in dit artikel betoog ik dat juist deze wijze van economie bedrijven nooit zal noch kan leiden tot de echte welvaartsstaat.



Oorzaken van de schaarste


Iedere mens bezit een aantal behoeften die hij, wil hij mens zijn, dagelijks moet bevredigen. Als de mens bij voorbeeld niet dagelijks eet en drinkt, zal hij snel ophouden te bestaan. Het dagelijks brood is de eerste voorwaarde voor een vóórtdurend bestaan. Dat dit dagelijks brood voor vele mensen niet vanzelfsprekend is, bewijzen de schrijnende toestanden in bij voorbeeld Somalië of in Joegoeslavië. [nvpv: dit artikel dateert uit 1993]
Tegenover de mens met zijn behoeften staan er immers schaarse behoeftebevredigingsmiddelen. Deze schaarste heeft verschillende oorzaken.


Een eerste oorzaak ligt in de natuur zelf. Sinds enkele tientallen jaren is het besef gekomen dat de aarde moet gezien worden als een eindig ‘reservoir’. Zelfs van goederen die weleer werden gezien als vrije goederen, zonder economische relevantie, zoals lucht, wordt nu ingezien dat ook deze relatief schaars zijn.
“Wat er geproduceerd moet worden, hoe en voor wie - het zouden geen problemen zijn als alle productiemiddelen in onbeperkte mate voorhanden waren. (... ) Er zouden dan geen economische goederen meer bestaan, dat wil zeggen geen goederen die relatief schaars zijn ... ” (Samuelson, I p.43).
In deze zin is de natuur mede de oorzaak voor de grote hongersnood in bijvoorbeeld Somalië. De natuur levert daar ter plaatse niet de nodige basisgoederen voor het dagelijkse brood. Deze schaarste aan goederen in Somalië wordt (kan worden) opgelost, onder meer door de goederen van elders aan te brengen.



Eens men heeft wat men begeert, is het niets meer weerd.


Niet alleen de natuur is oorzaak van schaarste, ook de mens is bron van schaarste. De mens is –zeker boven de basisbehoefte van ‘het dagelijks brood’– zelfs hoofdoorzaak van schaarste.
Tegenover de beperkte middelen tot behoeftebevrediging staan er immers onbeperkte behoeften. Iedereen die wel eens een huishoudboekje heeft bijgehouden, weet dat wat wij absoluut ‘noodzakelijk’ achten, niets te maken heeft met de minimale fysieke behoeften aan voeding, kleding, ... maar dat er heel wat goederen zijn die noch voor onze biologische existentie noch voor onze ‘geestelijke’ existentie noodzakelijk zijn.


Reeds in de jaren vijftig toonde de Amerikaanse econoom Galbraith in zijn boek The Affluent Society (1958) aan dat de consumptie van de Amerikanen in het algemeen het peil van het fysiologisch noodzakelijke ver te boven gaat.
Nederlands onderzoek uit de jaren 70 wijst erop dat onze welvaart bij stijgend reëel inkomen belemmerd wordt doordat onze behoeften de neiging hebben mee te drijven met de behoeftebevrediging. “We wennen aan de welvaart en willen dan steeds meer. Als we het niet krijgen, voelen we een welvaartstekort. Zo jagen we onszelf op. Vooral Kapteyn heeft getracht dit verband te kwantificeren. Hij berekende op grond van slim opgezette enquêtes dat maar liefst de helft van de satisfactie, die door een inkomensstijging wordt opgeroepen, na een tijdje verdwenen is. Hij noemt dit de preference drift - het omhoogdrijven van de behoeften. Het is een zeer frustrerend verschijnsel. (... )“ (Het onderzoek werd uitgevoerd door Bernard van Praag en Arie Kapteyn. Jan Pen, p. 20).


Er blijft dus, nadat de preference drift en de reference drift hebben toegeslagen, slechts 25% van de inkomensstijging over.


Dit is echter niet het enige lek in de welvaart. Kapteyn heeft er nog een ander aan het licht gebracht. “Mensen meten hun positie af aan de positie van anderen. Als iemand merkt dat zijn collega meer verdient dan hij, verlaagt dit de satisfactie. Een eenvoudige manier om iemand een gevoel van welvaart te geven, is zijn inkomen wat hoger te maken dan dat van zijn omgeving. Dat betekent echter, in de gedachtengang van Kapteyn, dat de welvaartsgroei wordt geschaad doordat we er allemaal op vooruit gaan. We krijgen zelf meer inkomen, maar ook de groep waarop we letten (de ‘reference group’). Zo ontstaat de reference drift en deze doet, volgens de berekeningen van Kapteyn, nog eens de helft van de overgebleven welvaartsgroei weglekken. Er blijft dus, nadat de preference drift en de reference drift hebben toegeslagen, slechts 25% van de inkomensstijging over.“ (Jan Pen, p. 20).


Aandacht voor de behoeften


Het pakket goederen en diensten dat de Belgen, Nederlanders, Luxemburgers, ... ter beschikking staat is de laatste honderd jaar ongelooflijk toegenomen. Vele behoeften waarvoor mijn overgrootouders van ‘s morgens tot ‘s avonds zwaar hebben gezwoegd om ze te bevredigen, worden nu bijna als vanzelfsprekend bevredigd. De bevrediging van vele behoeften waar mijn overgrootouders zelfs het bestaan niet van wisten, zijn voor de meesten onder ons een 'verworven recht'. En toch, toch lopen de mensen er niet bepaald dolgelukkig bij. Blijkbaar is de moderne (Westerse) welvaartsstaat –die de mens begeleidt van de wieg tot in het graf– ondanks de ‘schrijnende overvloed’, er voorlopig niet in geslaagd om de mens welvaart te brengen, ‘gelukkig’ te maken.
Zijn we dan echt gedoemd tot het achterna hollen van onze behoeften? Zijn we dan veroordeeld tot een soort van sisyfusarbeid?


Het consequent doordenken van de gedachte dat de oneindig toeneembare behoeften tegenover schaarse middelen staan, is o.i. een belangrijke sleutel tot dit raadsel. We zijn uitgegaan van de breuk W=G/B.


Nu maken we (nvpv de neo-klassieke economisten) ons van de B in de formule meestal gemakkelijk af als we de welvaart op verschillende plaatsen willen meten en vergelijken.
De behoeften laten zich namelijk niet meten en we stellen daarom veelal eenvoudigweg dat deze onbegrensd zijn: er kan altijd nog wel wat bij. Dit is bij verschillende natuurvolken misschien een enigszins aanvechtbare theorie, aan de andere kant ligt er het feit dat deze bijna niet meer bestaan. Bovendien treft men de moderne welvaartstaat alleen aan in Westerse landen: welvaartstaten met bijna gelijke strevingen en begeerten. Voor deze groep landen lijkt het zeker verdedigbaar de noemer buiten beschouwing te laten en de welvaart dus uitsluitend afhankelijk te achten van de materiële omstandigheden.” (Hartog, p. 10. Onze cursivering).
Hartog schreef dit wel op het eind van de jaren 60, maar de meeste hedendaagse neo-klassieke economisten blijven in dezelfde richting denken.


Tegen de achtergrond van de oneindige creativiteit van de mens in het vinden van steeds nieuwe behoeften, is dit besluit van Hartog toch wel uiterst merkwaardig. Want als de welvaart inderdaad de verhouding is tussen de productiemiddelen –men kan dit ook lezen als de goederen en diensten die zijn geproduceerd– en de behoeften, dan is het op zijn minst toch wel bevreemdend dat neo-klassieke economisten zich bijna uitsluitend bezig houden met de verhoging van de bevrediging en nooit met de beperking van de behoeften. Nochtans weet men dat dergelijke benadering nooit kans op succes heeft. “De hele theorie richt zich op de verhoging van de bevrediging, nimmer op de verlaging van de behoeften; een zotte situatie, als men bedenkt dat de behoefte wel, de bevrediging niet onbeperkt kan groeien. Men schuwt als de pest de consequentie van de eigen definitie: dat de hoogste welvaart wordt bereikt door wie ... geen behoeften heeft.” (Brüll, p. 141)


Hij laat de behoeften buiten beschouwing ‘bij gebrek aan beter’.

Hartog beseft ook wel dat er iets niet klopt; hij vervolgt immers met te stellen dat “niemand zal durven beweren dat dit juist is, niemand zal daarentegen ook iets beters weten.” Hij geeft ronduit zijn onvermogen toe om dit probleem op te lossen. Hij laat de behoeften buiten beschouwing ‘bij gebrek aan beter’. (Hartog, p. 10).


Een recenter voorbeeld van het economisch denken, dat vertrekt vanuit de productie geeft de Leuvens hoogleraar Paul van Rompuy: “Economie is de studie van het welvaartsstreven van de mens (... ). Omdat welvaart, wil men ervan genieten, eerst geproduceerd moet worden, is de productie van goederen en diensten derhalve de eerste belangrijke opgave in dat welvaartsstreven. Zodra de productie gerealiseerd is, moet in tweede instantie een systeem worden opgezet om die goederen en diensten onder de leden van de gemeenschap te verdelen. Verdeling is een tweede opgave.” (Paul van Rompuy, p. 1, onze cursivering.). Kortom, de economie zal goederen en diensten produceren, zoveel als ze maar wil, om ze dan vervolgens, via het opdrijven van de vraag, aan de consument te verlappen.



Naar een economie van het genoeg.


De neo-klassieke economisten gaan uit van de vooronderstelling dat de oneindigheid van de menselijke behoeften een vaststaand feit is, waar we maar moeten mee leren leven. “Wij, van de economie, hebben altijd geleerd dat de mensen zelf moeten beslissen wat ze willen. En dan lijdt het geen twijfel: de meeste mensen willen méér.” (J. Pen, 1984, p. 38.)


Behoeften kunnen inderdaad altijd toenemen. Ik leg hier de nadruk op het woord ‘kunnen’. Het is geen natuurwet, het is een potentie, een mogelijkheid, waarbij de mens de keuze heeft. “Het moderne proces van behoeftenschepping is niet inherent aan het karakter van mannen en vrouwen, maar het gevolg van de conditionerende werking van de moderne reclame; dat de productie van goederen samengaat met de productie van de vraag naar deze goederen. (... ) Dit punt in The Affluent Society geldt nog sterker in deze tijd van massale behoeftenschepping, televisie- en krantenreclame en agressieve verkoopstrategieën dan in de tijd toen ik het schreef.”(Galbraith over zijn boek The Affluent Society, in een gesprek met A. Heertje, augustus 1983.)


“De vooronderstelling van de oneindige menselijke behoeften heeft duidelijk te maken met het niet willen erkennen van de zinvolle mogelijkheid om behoeften te beperken i.p.v. ze altijd maar te laten toenemen. Een en ander heeft te maken met het in onze samenleving systematisch cultiveren van hebzucht en afgunst waardoor o.m. het machtseffect t.o.v. de derde wereld groter wordt. Het bekende gezegde van M. Gandhi spreekt in die zin voor zichzelf, nl. dat het meer dan waarschijnlijk is dat de aarde genoeg oplevert om ieders behoeften te bevredigen, maar niet ieders hebzucht.” (H. OpdeBeeck, p. 105).


Juist in die beperking van de behoeften ligt, in de huidige tijd, waar we ongekende hoogten hebben bereikt in de productiemiddelen, een enorme mogelijkheid om een welvaart voor velen bereikbaar te maken. Elke consument zal uit een behoeftebeperking immers een enorme voldoening halen. Mijn behoeften worden immers bevredigd doordat ik mijn behoeften beperk! Een toestand van volle behoefte-bevrediging, van absolute welvaart behoort dus echt wel tot de mogelijkheden, tot mijn mogelijkheden.
Maar er is meer. Door mijn behoeften te beperken, c.q. door mijn aanspraak te laten vallen op een deel van de ter beschikking staande goederen en diensten, komen deze goederen en diensten vrij ten behoeve van anderen.


Het gevolg van dit alles is onthutsend: “Wat ik door beperking van mijn begeerte aan de ander kan afstaan, verhoogt niet alleen zijn welvaart, maar ook de mijne.” (Brüll, p. 141). Economie komt zo in een volle sociale dimensie te staan. Het is vanuit een dergelijk inzicht dat bij voorbeeld Daly spreekt over een economie van het genoeg i.p.v. een economie van de schaarste. (Daly, 47).



Wat te doen?


De mens heeft zich het voorbije millenium in zijn hoedanigheid van homo economicus bezig gehouden met te trachten de beperking van de behoeftebevredigingsmiddelen, de schaarste van de economische goederen te overwinnen. De beperking van de behoeften was de laatste van zijn zorgen. Integendeel, de neo-klassieke economie beschouwt elke be-hoefte afzonderlijk als natuurlijk en beperkt in omvang, en als bevredigbaar. Als consument verlies je dan echter het totaalbeeld. Dergelijke benadering creëert een verwoestend verdeel-en-heers-principe.


Wat we moeten leren, is in ons economisch denken en handelen niet de productiemiddelen centraal te stellen, maar wel in de eerste plaats de behoeften. We moeten leren kijken naar wat werkelijke behoeften zijn: wat zijn ‘slechts’ begeerten, wat zijn werkelijke noden, en hoe kunnen we daar mee omgaan?


En dan spreek ik in de laatste plaats over ‘mijn eigen behoeften’. Dit brengt immers geen soelaas. We zijn moreel onvolkomen om uit te maken wat voor onszelf ‘werkelijke’ noden zijn en wat niet. Als we dit toch trachten te doen, worden we bijna onvermijdelijk meegesleurd in een oneindige spiraal van behoeften.
In plaats van te kijken naar wat mijn behoeften, mijn noden zijn en ernaar te streven deze te lenigen, komt in een ‘economie van het genoeg’ de solidariteit, de broederlijkheid met ‘de ander’ naar voren: ik kijk naar de noden van de ander en streef ernaar deze te lenigen (onder meer door zelf mijn eigen behoeften in te perken.)
‘De ander’ is dan niet alleen uw kind, of uw buur, maar ook ‘de ander’ aan de andere kant van de wereld of in een volgende generatie.
En ‘de ander’ is telkens anders, heeft telkens andere noden. In onze noden zijn we ongelijk.


Dit alles hoeft niet te leiden, zoals gevreesd wordt door bijvoorbeeld de economist Jan Pen, tot “het oordelen over de behoeften van andere mensen”; het betekent evenmin dat “alles nu maar moet blijven, zoals het was”; het houdt ook niet in dat “de mensen maar tevreden moeten zijn met wat ze hebben.” (Jan Pen, 1984, p. 40)


De economie van het genoeg betekent voor mij in de eerste plaats een oproep om zelf tot het besef te komen dat datgene wat ik ter consumptie neem, niet meer ter beschikking staat van een ander die er misschien meer nood naar heeft. Het is een oproep om naar de ander te kijken, een oproep om in ons eigen leven wegen te zoeken waarbij dit besef in de daad tevoorschijn komt. Het is een oproep om wegen te zoeken naar een economie waarin “de ‘mens’ op de eerste plaats komt en de voorziening van goederen op de tweede.” (Schumacher, p. 10).


Dit alles klinkt als toekomstmuziek. En dat is het in zekere zin ook. Het vereist een ‘ommezwaai’ in ons sociaal handelen. Het vergt het ontginnen van voorheen omzeggens ongekende terreinen, zowel in het eigen ‘ik’ als in onze relatie met de omwereld. Maar ik ben het eens met de Duitse actrice Hanne Tächl, waar ze stelde: “Als we een doel nastreven dat pas in de verre toekomst kan worden bereikt, laten we er dan, ieder volgens zijn eigen mogelijkheden, nu meteen al naar leven. En wel zo, dat we in de kleine stappen in de goede richting vreugde en voldoening vinden, zodat dus in het kleine het grote al wordt weerspiegeld.“

In de volgende afleveringen van Klaas’ en Klaas’ Commentaar [nvpv Dit waren twee tijdschrijften waarvoor ik af en toe iets schreef] hoop ik voorbeelden te geven van hoe mensen ‘de kleine stappen’ zetten, en hoe onze (maatschappelijke) structuren hierbij dikwijls een hinderpaal vormen, integendeel juist aanzetten tot het tegenovergestelde van broederlijkheid.




Aangehaalde literatuur


Brüll, D., De sociale impuls van de antroposofie, 1985
Daly, H., Steady-state Economics, 1977

Eyskens, M., Economie als tijdverdrijf, 1971

Eyskens, M., Economie voor iedereen, 1987

Fantasie, Kultuur & Politiek. Michael Ende in gesprek met Erhard Eppler en Hanne Tächl, 1984

Hartog, F., Onze welvaartsstaat. Een economische analyse, 1969
Heertje, A., Als Keynes nu geleefd zou hebben ... ,1983

Opdebeeck, H., in: Thys, W., et. al., Economie, macht en gerechtigheid, 1989

Pen, J., De verrassingen van de economie, 1984;

Pen, J., Kijk, economie. Over mensen, wensen, werk en geld, 1979