
IN HET JONGE BELGIE na 1830 waren politieke rechten gekoppeld aan belastingen: enkel welgestelde mannen mochten stemmen, terwijl de grote meerderheid uitgesloten bleef.
Defuisseau – volksvertegenwoordiger voor de liberalen, daarna voor de socialisten – vocht zijn hele carrière tegen dit onrecht. In zijn boek hekelt hij hoe een kleine elite de macht verdeelde, terwijl miljoenen Belgen zonder stemrecht moesten werken om te overleven. Hij zet meteen de toon in zijn boek: “De geschiedenis van België is de geschiedenis der uitdeeling van plaatsen, ambten, vette posten en eereteekens, gedaan onder 117.000 cijnsbetalers-kiezers, in het aanzien van vijf millioen en half Belgen niet-kiezers…” [1].
Zijn werk is een woedend, bijna pamflettair relaas waarin hij zijn collega-politici lafheid verwijt omdat ze weigeren het cijnskiesstelsel te vervangen door algemeen stemrecht. In 1900 nam hij ontslag uit de Kamer: hij weigerde nog langer deel uit te maken van een systeem dat de meerderheid structureel uitsloot en onderdrukte [2].
Het boek bevat talrijke, vaak schrijnende voorbeelden van de politieke, economische en geestelijke onderdrukking van de werkende klasse.
Niet alleen deze onderdrukking stelde hij aan de kaak. Hij is ook vernietigend voor de manier waarop de stem van de cijnskiezer werd gezien als een ruilobject – beïnvloed via geld, banketten, comfort, gunsten en persoonlijke aandacht. Een systeem van materiële en symbolische verleiding. Zoals Defuisseaux het zelf formuleert: “De dag der verkiezingen zou door Rabelais moeten geschreven en door Teniers geïllustreerd worden. […] Het is het feest der maag!” (p. 164)
Uit de vele voorbeelden selecteer ik vier eenvoudige scènes: drie die tonen hoe verkiezingen in de praktijk verliepen, en één die de minachting voor de arbeider scherp blootlegt.
Ik toon ook een afbeelding van de oorspronkelijke tekst. Zo kan je mee genieten van de 19e-eeuwse Nederlandse taal.
Prins Chocolat
Stemmen werden niet gewonnen met ideeën, maar met verleiding met soms theatrale allures. Kandidaten boden jobs, cadeaus en diensten aan.
Zo liet een prins-kandidaat de viool van een kiezer herstellen, bracht ze persoonlijk terug en speelde, “als een Orpheus”, een stuk om diens stem te winnen.
Nog sprekender is het voorbeeld van Joseph de Riquet de Caraman-Chimay in Thuin. Hij nodigde kiezers en hun families uit op zijn kosten: de mannen kregen wijn en likeuren, de vrouwen overvloedige chocolade. Het leverde hem de bijnaam “Prins Chocolat” op. De liberalen kopieerden de truc – en wonnen nipt. “Was hunne chocolade van een beter merk?”

Van en naar het kiesbureel
In Brussel werden kiezers verleid met gratis rijtuigen, betaald door kandidaten en politieke verenigingen. Sommigen eisten zelfs vervoer om vóór en na het stemmen uitstapjes te maken. Het systeem was goed georganiseerd. Functies binnen het “kiesrijtuigen-comité” golden als opstap naar een politiek mandaat (p. 393).

Met geld koop je alles
Het boek beschrijft een geraffineerde vorm van omkoping. Bankbiljetten werden in twee gescheurd: één helft voor de kiezer, één voor de omkoper. Pas na de verkiezing kreeg de kiezer de tweede helft – en dus de waarde – als de kandidaat won. Zo bleef de kiezer afhankelijk én gemotiveerd om propaganda te maken. De bedragen liepen op tot honderden, soms duizenden frank, afhankelijk van het gewicht van de kiezer (p. 247)

De Koning Willem III in Brussel
Defuisseaux wijst op de hypocrisie van de Belgische machthebbers. Bij een bezoek in 1884 van de Nederlandse koning Willem III aan Leopold II in Brussel werden oud-strijders van de Belgische Revolutie van 1830 geweerd van de plechtigheden, en zelfs de Brabançonne werd acht dagen verboden.
Hij besluit met een ironische en verontwaardigde reflectie: wat ooit een strijd tegen de Nederlandse overheersing was, wordt nu vergeten, terwijl dezelfde figuren (de Nederlanders) opnieuw worden toegejuicht.
“Men kon onmogelijk beter de omwenteling van 1830 miskennen.” (p. 383).
Hij somt de namen van 137 patriotten die op 21 september 1830 door de Hollanders werden doodgeschoten, op enkelen na allemaal werklieden (p. 289).

Vandaag
Het cijnskiesstelsel is afgeschaft, maar de ongelijkheid in politieke invloed is niet verdwenen. De vormen zijn veranderd, de logica niet. Wie middelen heeft, koopt zichtbaarheid – en zichtbaarheid vertaalt zich in invloed.
De directe verleiding is verfijnd, maar de infrastructuur bleef: toegang tot media, netwerken en podia bepaalt nog altijd wie gehoord wordt. Wat vroeger chocolade en rijtuigen waren, heet vandaag campagnebudget, communicatie of bereik. We spreken niet langer over omkoping, maar over targeting, incentives of influencers.
De strijd die Léon De Fuisseaux voerde voor het algemeen stemrecht is verschoven. Vandaag gaat ze over iets anders: zelfrepresentatie. Dit is het vermogen van burgers om zichzelf rechtstreeks te vertegenwoordigen in het politieke domein, zonder bemiddeling door elites, partijen of systemen die hun stem vooraf vormgeven.
Nog even dit
[1] Defuisseaux begint zijn boek met de uitleg van het grondprincipe van het Belgische staatsbestuur en vraagt zich af vindt het ‘wreeden spot’ dat de grondwet start met: “Alle macht gaat uit van het Volk.”(p. 5-6):

[2] Louis Defuisseaux, De schanddaden van het cijnskiesstelsel, Gent, 1891.
Léon Defuisseaux gaf zijn ontslag in 1900 omdat de politieke partijen uiteindelijk een compromis vonden in het meervoudig stemrecht: iedereen kreeg stemrecht, maar sommige (rijkere of hoger opgeleide) mannen kregen meerdere stemmen. Dat systeem – goedgekeurd in 1903 – vond hij ook onrechtvaardig, omdat het de ongelijkheid in een nieuwe vorm behield.
Hij heeft de opkomst van het algemeen enkelvoudig stemrecht niet meer mogen meemaken. Het kwam er als een tweetrapsraket: voor mannen in 1919 en voor vrouwen in 1948.