Voor Martine



PETER DROESHOUT neemt tijdens onze gesprekken altijd uitvoerig notities in zijn Moleskine. Zijn notities over de mensenrechten heeft hij omgevormd tot een artikel. Het bevat zowat alle uitgangspunten waarmee ik naar de wereld kijk. Met zijn toestemming breng ik dit als eerste tekst van HET VERZET omdat het de toegangspoort is tot mijn landschap.



PS. Het is een lange tekst geworden. die ik in twee delen publiceer.
Voor alle duidelijkheid: wij zijn geen van beiden juridisch geschoold. Ikzelf heb politicologie gestudeerd; Peter heeft filmschool gedaan.



Dit artikel bevat zowat alle uitgangspunten waarmee ik naar de wereld kijk.



Mijn moeder en de Harari


Peter Droeshout: Waarover hebben we het eigenlijk als we over mensenrechten spreken? Als je Ricoeur of Maurice Cranston leest, dan ontdek je dat er veel verschillende benaderingen zijn. Ik heb het daar moeilijk mee. We moeten dat eerst voor ons duidelijk maken.


Pieter Vereertbrugghen: De Liga voor de rechten van de mens geeft deze — volgens mij correcte — definitie: “Mensenrechten zijn fundamentele rechten die ieder mens heeft. Enkel omwille van zijn of haar mens-zijn. […] Je hebt altijd recht op deze rechten; op school, op het werk, op straat, overal.” Samen met jouw geboorte, worden jouw mensenrechten geboren. Ze zijn gelijk voor iedereen en gefundeerd in de natuurlijke orde van het mens-zijn."


PD: Als je deze benadering doortrekt, dan gelden de mensenrechten voor mijn moeder, maar ook voor de Harari in Ethiopië en voor een IS-strijder. Iedereen, elk van de 8 miljard mensen op de aarde, heeft per definitie en door geboorte dezelfde mensenrechten.


Iedereen
Elk van de 8 miljard mensen heeft per definitie en door geboorte dezelfde mensenrechten.

PV: Zo is dat. Mij heeft dit altijd geboeid. Wat houden mensenrechten concreet in? Hoeveel zijn het er eigenlijk? Hoe moeten we ze bekijken: zijn het uitgangspunten, na te streven idealen of … ?


PD: Ik kan me moeilijk voorstellen dat dezelfde rechtsregels die op mijn moeder van toepassing zijn, ook gelden voor de Harari in Ethiopië, om even bij dat voorbeeld te blijven. De context is helemaal verschillend.


PV: Je zegt ‘rechtsregels’. Mensenrechten zijn nog iets anders dan rechtsregels. De meeste rechtsregels zijn inderdaad contextueel bepaald: in tijd, in plaats … Rechtsregels zijn ‘afspraken’ tussen mensen. Mensenrechten zijn niet afhankelijk van tijd, plaats, … Je maakt geen mensenrechten en je kan ze ook niet intrekken. Ze zijn er gewoon en ze zijn universeel. Ze zouden dus door iedereen afdwingbaar moeten zijn. Ik noem de mensenrechten daarom de ‘initia’, de eerste beginselen.




Het mag niet van de overheid


PD: Maar wat is ‘universeel’. De context, de culturele achtergrond, de geografische omgeving, … is zo verschillend voor elk van ons.


PV: Universeel is niet hetzelfde als wereldwijd. Als morgen alle landen een bepaalde rechtsregel overeenkomen, bijvoorbeeld dat zondag een verplichte rustdag is voor iedereen, dan is die weliswaar wereldwijd geldig (want door alle overheden aangenomen en afgedwongen), maar daarom is die regel nog geen mensenrecht en daarom vormt hij nog geen eerste beginsel, geen ‘initium’.


PD: Ik weet niet. Op basis van eigen ervaring, als ik rond mij kijk, neig ik naar een rechtspositivistisch standpunt. De overheid heeft, als soevereine overheid, de taak om de mensen te beschermen, te verzorgen … Ze vaardigt daartoe de wet- en regelgeving uit. Het is dus aan de overheid om vast te stellen welke rechten en mensenrechten er zijn. Mensenrechten, en rechten in het algemeen, zijn dus menselijke afspraken en daardoor veranderlijk.


PV: Ik zie in jouw opmerking twee aspecten. Ten eerste de discussie tussen het universalisme en het particularisme. Ik zoek naar de universele basisbeginselen van het mens-zijn. Dat neemt niet weg dat de context wel meespeelt in de toepassing ervan. Eva Brems schrijft: ”De universaliteit van mensenrechten betekent niet dat mensenrechten altijd en overal op dezelfde manier toegepast moeten worden. Integendeel, mensenrechten kunnen en moeten op een contextgevoelige manier gerealiseerd worden, waarbij rekening gehouden wordt met de specifieke kenmerken van minderheidsgroepen.” Die toepassingen zijn voor mij rechtsregels in tweede orde.
Vandaar dat ik voorstander ben om het aantal mensenrechten te beperken. Nu zijn er veel te veel mensenrechten en die ”weerspiegelen een mensbeeld dat is geijkt op de dominante groep van mensen: volwassen, mannelijk, heteroseksueel, zonder handicap, en westers”, om nogmaals Eva Brems te citeren. Als je je beperkt tot de ’initia’, als je in de praktijk vertrekt vanuit de ’initia’ dan krijg je ruimte om bij de lokale toepassing van mensenrechten lokale accenten te leggen, lokale vormen en betekenissen te geven. Maar het blijft een moeilijke opdracht. Je kan bijvoorbeeld niet een beetje vrijheid van meningsuiting hebben.


PD: Wat is dan is dan de opdracht van de overheid?


PV: Dat is het tweede aspect van wat je daarnet zei en al een eeuwenoude discussie: zijn er grenzen aan de macht van een wetgevende overheid? Of is het feit dat de overheid bron is van de wetgeving, al voldoende als wettiging? Ik heb het gevoel dat zelfs de rechtspositivisten inzien dat iets niet klopt. Zo was Herbert Hart, een van de belangrijke rechtsfilosofen van de 20e eeuw, voor de erkenning van een minimaal natuurrecht. Ja, wat blijft er dan over van het rechtspositivisme. En wat is dan ‘minimaal’. Hoe bepalen we dit? Vandaar mijn zoektocht naar de ‘initia’.


Wie of wat houdt ons het ‘rechte pad’?


PD:
Wie of wat houdt ons het ‘rechte pad’? Blijkbaar is er toch een hang naar externe verantwoording. Hebben we niet het goddelijke nodig hebben om moreel te handelen? Of breder: hebben we niet een oorzaak nodig die losstaat van de mensen, een ‘skyhook’, een 'hijskraan' om Dennet’s metafoor te gebruiken? Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het opperwezen uit de préambule van de Déclaration van de Franse Revolutie.


PV: De verwijzing naar een god in de préambule was dunnetjes (“en présence et sous les auspices de l'Être suprême”). Later, in 1948, bij de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (uvrm) werd er zelfs niet meer verwezen naar dit opperwezen. God is niet nodig, noch één of andere externe noodzaak. De reden om mensen rechten te geven, is inherent verbonden aan het mens-zijn zelf. Boeiend leesvoer hierover is de discussie tussen de Libanees Charles Malik en de Chinees Peng Chung Chang, twee mede-auteurs van de Universele Verklaring.


Maar los daarvan: het is eigenlijk godgeklaagd. Eeuwen hebben we gedaan om de externe oorzaak ‘God’ als leidraad voor ons moreel gedrag weg te werken. En nu komt, als een duiveltje uit de doos, de overheid om de hoek kijken. De overheid komt als morele autoriteit voor het persoonlijke gedrag in de plaats van God. De overheid wordt een nieuwe ‘hijskraan’, een soort van schaamlapje voor het persoonlijke geweten: “Ik zou wel willen, maar het mag niet van … de overheid”.


Het wezen van de mens is mijn ‘hijskraan’.



De observaties over het wezen van de mens zouden voldoende moeten zijn om de bouwstenen aan te reiken waarmee de samenleving kan worden ingericht. Het wezen van de mens is mijn vertrekpunt, mijn ‘hijskraan’, om in Dennett’s beeldspraak te blijven. De overheid heeft uiteraard een taak, maar niet als morele autoriteit. We hebben de overheid niet nodig om de basis uit te tekenen waarop we kunnen bouwen, .




Het eerste mensenrecht: zonder lichaam geen mens.


PD: Als ik de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens lees, met zijn 30 artikelen en een préambule, dan voel ik deze verklaring aan als een goede basis. Ik ga omzeggens met alles akkoord.


PV: Veel van de daarin opgesomde rechten zijn wat ik zou noemen ‘rechten in tweede orde’. Ze zijn afgeleid uit dieperliggende rechten, de initia. Ik zoek naar deze eerste beginselen. Ik zie er een drietal, maar we kunnen samen een oefening doen: wat heb je nodig om als mens te bestaan?


PD: Ik moet eten, drinken, slapen, naar de dokter gaan als ik ziek ben … Als ik dat niet doen, dan sterf ik. Dit is dus cruciaal voor iedereen.


PV: Dat is het fysieke onderdeel, het lichamelijke. Vanuit dit uitgangspunt kan je stellen dat we ervoor moeten zorgen dat er in de fysieke levensbehoeften van elke mens wordt voorzien. Elke mens heeft daar recht op.


Zonder lichaam geen economie.
Zonder lichaam geen mens.


PD: Dat is dan het terrein van de economie. Heel onze economie bestaat in wezen omdat we een lichaam hebben. Gewoon al door geboren te worden, heeft elkeen recht op een deel van de economische koek. Zonder lichaam geen economie.


PV: En zonder lichaam geen mens. Economie bestaat ook omdat er schaarste is. Tegenover de lichamelijke behoeftes staan immers de schaarse goederen. Als er van alles altijd overvloed is, dan zou economie enkel de wetenschap zijn van de logistiek.


PD: Schaarste betekent ook dat wat we tot ons nemen of consumeren, niet meer beschikbaar is voor iemand anders. Dat feit lijkt me cruciaal. Dieter Brüll spreekt in deze context over de noodzakelijkheid van het anti-sociale gedrag. “Als [de mens] eet en drinkt […], eigent hij zich iets toe uit de totaliteit die de aarde ons geeft en die er in principe is voor alle levende wezens. […] Dat [nvpv. toe-eigenen] gaat geheel objectief gesproken ten koste van hetgeen […] voor zijn medemensen beschikbaar is. Het is derhalve anti-sociaal.”


Dus de toast met krabsalade die jij nu aan het eten bent, is niet meer beschikbaar voor een ander persoon. Voor alle duidelijkheid: anti-sociaal ziet Brüll als moreel neutraal.


PV: Daar komt dan nog bij dat we ongelijk zijn in de lichamelijke behoeftes. Moesten we allemaal dezelfde behoeftes hebben, dan was de economie een heel stuk makkelijker. Iedereen kreeg dan een gelijk consumptiepakket.


PD: Maar dat is dus niet realistisch. Om het met een grapje te zeggen: jij eet graag eens sushi bij de Kou’zi in Antwerpen en ik ben veganist.


PV: Lichamelijke integriteit is voor mij het eerste mensenrecht, het eerste der ‘initia’. Hieruit volgen ook de meeste rechtsregels die lichamelijk integriteit garanderen: recht op voeding, drank, woonst, gezondheidszorg … Geen doodstraf, geen lijfstraffen of folteringen, geen armoede, geen sweatshops, geen milieuvervuiling … Alleen al daarom is de humanitaire noodsituatie rond de migranten zo vreselijk. Het is in de eerste plaats en op zijn minst een schending van de lichamelijke integriteit.


Bootvluchtelingen
“Wir schaffen das”, klopt maar voor 80%. Eigenlijk is het: “Es ist unsere Pflicht, das zu schaffen.”

PD: Het zien van de migranten is ook een oproep, een plicht om die mensen te helpen. Ik beweer niet dat je ze allemaal moet opnemen in Europa, dat is een politieke beslissing. Dat is ook maar één van de oplossingen, er zijn er nog andere oplossingen. Maar wat er nu gebeurt, is zoals de koortsthermometer breken en dan zeggen dat je niet ziek bent. Het uitgangspunt van Merkel, “Wir schaffen das”, klopt maar voor 80%. Eigenlijk is het: “Es ist unsere Pflicht, das zu schaffen.”


Tegelijk zie je in de praktijk net het tegenovergestelde: de vrees en de zorg voor het eigen lichamelijk bestaan maakt dat de mensen zich zelfzuchtig gedragen. De visie op de mens als homo oeconomicus, als een rationeel, door eigenbelang gedreven individualist, is daarop gebaseerd.


PV: Dat is waar. Maar dat hoeft niet zo te zijn, dat is geen natuurwet. Het kan anders. Rudolf Steiner, voor mij één van de belangrijkste politieke en sociale filosofen, drukte het als volgt uit: “Het welzijn van het geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij meer daarvan aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn behoeften niet uit eigen prestaties, doch door de prestaties van anderen worden bevredigd.”
Of, om het kort te zeggen: “Het welzijn van de mensen is des te hoger naarmate het egoïsme geringer is.”
Steiner roept op om de ander in het centrum van je handelen te plaatsen. Je werkt dus voor het vrijwaren van de lichamelijke integriteit van de ander, omdat het zijn recht is. En de ander voor de jouwe, omdat het jouw recht is. Het idee van het basisinkomen vindt hier zijn oorsprong.


PD: Er is wel een spanningsveld tussen ‘de zorg voor het eigen lichamelijk bestaan’ en ‘de ander in het centrum plaatsen’. Je voelt die spanning bijvoorbeeld als onbehagen wanneer je beelden van bootvluchtelingen ziet of een bedelaar passeert. We zetten de televisie op een andere zender, we wenden de blik af… Kortom: we zorgen ervoor dat de noodlijdende ander uit ons blikveld verdwijnt.
Hoe dan ook: mijn persoonlijke innerlijke ervaring is in tegenspraak met de manier waarop het economische is georganiseerd. Ons economisch handelen is geconstrueerd op basis van het eigenbelang …


PV: Eigenlijk heeft het economische leven dus dringend nood aan een volledige ‘paradigm-shift’ met de rechtsvraag als vertrekpunt: wat komt de ander toe?


PD: En dus ook: wat komt mij toe? De vraag is dan toch hoe we het economische leven zo kunnen organiseren dat de ander 'krijgt' wat hem door zijn geboorte, door zijn bestaan toekomt?


PV: Zo zie ik dat ook. Het economisch leven wordt dan in overeenstemming gebracht met de initia en uiteindelijk ook met de persoonlijke innerlijke ervaring.


PD: De Belgische cineast Luc Dardenne schreef in zijn dagboek (11/05/1997): “Het spirituele leven is in essentie een moreel leven en zijn uitverkoren plaats is het economische. Deze vaststelling van Levinas is ook die van onze cinema.” Ik ben het daar volledig mee eens.


PV: En het sterke aan de sociale hoofdwet van Steiner is dat hij ‘des te groter’ zegt. Elk beetje helpt. We kunnen er onmiddellijk aan beginnen. Elke handeling in dienst van een ander is een stap vooruit. Ik vind dat heel krachtig.


Zie jij nog andere zaken die je volgens jou nodig hebt om te bestaan?





Het tweede deel van dit gesprek vind je onder Mensenrechten, deel 2: 'I love people's faces'.