
TIJD VOOR EEN ietwat grappige foto. Een vrouw kijkt naar twee schilderijen: Madame Moitessier van Jean-Auguste-Dominique Ingres uit 1856 en Woman with a Book van Pablo Picasso uit 1932. Zou de vrouw in het midden zich afvragen: Welke vrouw ben ik? Die van links of die van rechts?
De tentoonstelling
We schrijven 2022. De National Gallery in Londen brengt beide schilderijen voor het eerst samen in een kleine tentoonstelling onder de toepasselijke titel Picasso Ingres: Face to Face. Dat ze naast elkaar hangen, is niet toevallig. Picasso had het portret van Ingres in 1921 in Parijs gezien. Het liet hem niet los. Elf jaar later schilderde hij – geïnspireerd door Ingres – zijn geliefde Marie-Thérèse Walter.
De verwantschap tussen beide schilderijen is al lang bekend. Al in 1936 schreef de Franse kunstcriticus Georges Duthuit, schoonzoon van Matisse, dat Picasso’s schilderij op Ingres terugging en dat je beide werken eigenlijk naast elkaar moest zien om te begrijpen wat er gebeurde. Het zou nog 86 jaar duren voordat het daadwerkelijk gebeurde.
Wie beide werken naast elkaar ziet, herkent duidelijke overeenkomsten. Kijk eerst naar Ingres, dan naar Picasso. Het rechterschilderij is onmiskenbaar Picasso, maar Ingres duikt telkens op: de houding van het hoofd, de hand tegen de slaap, de bloemen, de zetel, het spiegelbeeld …
Ach, hoeveel zielen heb ik?
Maar het is dus de vrouw tussen de twee schilderijen die de foto voor mij bijzonder maakt. Zij kijkt naar Ingres en Picasso. En terwijl zij kijkt, kijken wij naar haar. Haar gezicht zien we niet. Sterker nog: van geen enkele bezoeker op de foto is een gezicht te zien. Alleen de geschilderde vrouwen tonen hun gezicht.
Mijn eerste gedachte ging naar Goethe, die Faust in 1808 laat verzuchten: ‘Twee zielen wonen, ach, in mijn borst.’ Twee krachten in dezelfde mens die met elkaar strijden. In die sfeer zou je de foto kunnen lezen: “Welke van beide schilderijen ben ik of wil ik zijn?”
Maar hoe langer ik naar de foto keek, hoe minder juist die gedachte me leek. In 1930 schreef Fernando Pessoa zijn raadselachtige gedicht Não sei quantas almas tenho – letterlijk: Ik weet niet hoeveel zielen ik heb. Ik lees dit graag als een antwoord op Goethe, al weet ik niet of Pessoa dat zelf zo bedoeld heeft. (nvpv: het volledige gedicht vind je onderaan.)
Bij Goethe is het ene ik nog verdeeld tussen het aardse en het geestelijke. Twee zielen in één mens. Bij Pessoa wordt het radicaler: het ik zelf is geen vaste kern meer, maar een veelheid. Hij kan zijn zielen niet eens meer tellen. Niet omdat hij tussen al die mogelijke ikken moet kiezen, maar omdat ze op verschillende momenten deel kunnen worden van wie hij wordt. Bij Pessoa werd die veelheid zelfs een literaire praktijk: hij schreef onder verschillende heteroniemen, auteursfiguren met een eigen persoonlijkheid en levensbeschouwing.
De vrouw hoeft dus helemaal niet te kiezen tussen de twee schilderijen. Soms is ze misschien de vrouw links, soms die rechts. Morgen misschien de vrouw op een derde schilderij dat ergens anders hangt te pronken, of een vierde schilderij dat nog geschilderd moet worden. De betere vraag is dus niet Wie ben ik? maar Wie word ik? zelfs die vraag heeft geen definitief antwoord.
Eigenlijk vertelt deze tentoonstelling zelf al dat verhaal. Picasso keek naar Ingres, nam iets van hem in zich op en maakte er iets nieuws van. Ingres zelf zei ooit: ‘Wie van de groten heeft niet geïmiteerd? Niets wordt uit niets gemaakt.’ Ook Picasso wist dat maar al te goed: ‘Gewone kunstenaars lenen, grote kunstenaars stelen.’ Zij hadden het over kunst. Hetzelfde geldt voor ons. Ook wij worden niet uit niets gemaakt. We nemen voortdurend iets op van wat we zien, lezen en ontmoeten. Het wordt deel van ons en verandert mee wie we zijn. Pessoa zegt het haast letterlijk in het gedicht: ‘Als ik let op wat ik ben en waarneem, / Word ik hen en niet meer mezelf.’ Dat is wat deze foto oproept: niet alleen een vrouw die naar kunst kijkt, maar een mens die tussen verschillende beelden van de mens staat en door wat ze ziet zelf verandert.
En dan krijgen ook de ontbrekende gezichten van de bezoekers betekenis. De vrouwen van Ingres en Picasso zijn vastgelegd. Hun gezicht zal niet meer veranderen. De schilderijen zijn voltooid.
Maar de vrouw tussen de twee schilderijen blijft, net als elke andere bezoeker op de foto, iemand van wie we het gezicht niet zien. Niet omdat ze niemand is, maar omdat ze nog niet af is. En dat ook nooit zal zijn.
Nog even dit
Op de website van de National Gallery vind je een inleiding door de curator van de tentoonstelling, Chris Riopelle: Picasso Ingres: Face to Face.
Het gedicht ‘Ik weet niet hoeveel zielen ik heb’ van Pessoa uit 1930, in een vertaling van Harrie Lemmens:
Ik weet niet hoeveel zielen ik heb.
Telkens weer word ik ontbonden.
Het is alsof ik voortdurend wegeb.
Ik heb me nooit gezien of gevonden.
Ik heb alleen de ziel van al dat zijn.
En wie een ziel heeft kan niet stil zijn.
Wie ziet is slechts wat hij ziet,
Wie voelt is zichzelf niet.
Als ik let op wat ik ben en waarneem,
Word ik hen en niet meer mezelf.
Alles wat ik droom of me voorneem
Gaat uit van waar ik het opdelf.
Ik ben mijn eigen toneel,
Ik kijk hoe ik daar speel
En alleen en gespleten rondren,
Ik voel mezelf niet waar ik ben.
Daarom lees ik verstrooid,
Als bladzijden mijn bestaan.
Wat later komt weet ik nooit,
Wat voorbij is laat ik gaan.
In de kantlijn van wat ik lees
Teken ik aan wat bij me oprees.
Ik herlees het en zeg ‘Was ik dat?’
God weet het: Híj schreef op dat blad.