Door Lea Winkeler
OMDAT IK HET me met mijn idee voor een eerste project al moeilijk genoeg had gemaakt (een reeks à la Bernd en Hilla Becher), koos ik voor een gemakkelijk tweede projectje: Blossfeldt (1865-1932)! De man van de prachtige zwart-wit beelden van bladeren, takken en ander natuurlijk materiaal dat hij strak fotografeerde om zijn studenten grafiek te inspireren met het lijnenspel, de vormen en de contrasten.

Ik dacht: ik loop even de tuin in, pluk één en ander en maak daar zo goed mogelijk foto’s van in de stijl van Karl Blossfeldt. Ik herinner me nog dat het wat knoeien was om die zachte, quasi schaduwloze achtergrond voor mekaar te krijgen in onze bijkeuken. Maar de grootste hinderpaal bleek het onderwerp. De bladeren van de hosta’s uit mijn tuin: geen enkel doorstond de kwaliteitscontrole. Natuurlijk was ik niet verwonderd dat op sommige bladeren een slakje was gepasseerd, of een rand verkleurd of dat een exemplaar wat krom was gegroeid. Wat ik niet verwachtte was dat zowat op elk blad van mijn nochtans uitbundig groeiende hosta’s iets aan te merken viel. Voor mijn geestesoog had ik volmaakte vormen gezien die in werkelijkheid niet bleken te bestaan of hoogst uitzonderlijk voorkwamen.
Later kwam ik te weten dat Blossefeldt best flink retoucheerde aan zijn materiaal én aan zijn foto’s, en voelde ik me minder sukkelig. Toch bleef de ervaring aan me plakken: hoe had ik me zo kunnen laten begoochelen dat ik verwachtte zulke stengels en bladeren in de tuin te zullen aantreffen? Wat Blossfeldt doet, is een stapje maken richting abstractie. Een klein stapje, de kloof met het werkelijke materiaal blijft klein zodat we ze met gemak over het hoofd zien. En het resultaat – wellicht juist omdát het abstracter is, streelt ons gevoel voor schoonheid.
(nvpv: tekst vervolgt onder de afbeelding.)


Geen taal, geen wiskunde, geen wetenschap, geen samenleving zonder abstractie. We zijn er zo goed in, en vinden het zo prettig om te abstraheren, dat de afstand tot de werkelijkheid soms wel heel groot wordt. Dan bekruipt ons het vermoeden dat we onderweg iets verloren zijn, inzicht en kennis die zich dichter bij de werkelijkheid bevindt. Daar moest ik aan denken toen ik een jaar na mijn Blossfeldt-revelatie een congres over de Eerste Wereldoorlog bijwoonde (iets heel anders, inderdaad). Zo’n vijftien historici kwamen aan het woord over hun onderzoek; het viel me op dat het grootste deel zich verdiept had in individuele of vrij afgelijnde verhalen: het leven van soldaat zus of zo, het wedervaren van een handvol naar Italië uitgeweken Turken. Allemaal heel degelijke research en vooral, vaak pakkend want menselijk, persoonlijk, herkenbaar, concreet. Veel emotie. Maar waar was de theorievorming gebleven? Viel er, behalve dan de kennis van duizend feiten, iets te leren dat breder reikte dan die specifieke verhalen?
Sinds dat congres ben ik waakzaam bij de overvloed aan persoonlijke getuigenissen in ons tijdsgewricht. Ze zijn wel heel dominant tegenwoordig, in nieuwsberichten, op sociale media, via hulporganisaties, in reclame, noem maar op. Ze appelleren aan onze nieuwsgierigheid (en ons voyeurisme), hopelijk ook aan onze empathie, al geraakt die er op den duur wel overspannen van. De markt van emoties draait als een lier en houdt ons bezig. Wat we daaruit kunnen leren – hoe we vanuit een particuliere verhaal iets kunnen begrijpen op een meer abstract niveau – daarover blijft het in verhouding vaak stil. Daarvoor lijken we soms energie te kort te komen. Nochtans is het die abstractie die, als ze zorgvuldig is, ons handvaten kan bieden om onze wereld te helen en te verbeteren.
Tussen mijn tuin en de foto’s van Blossfeldt, tussen die foto’s en de grafiek die erdoor werd geïnspireerd, loopt een pad waarop ik vaak wandel. Het is dezelfde weg die zich aftekent van brede maatschappelijke analyses - ideologieën incluis - naar persoonlijke getuigenissen en ook weer terug. Noch het ene, noch het andere einde van dat pad blijkt alle antwoorden te hebben. Het belangrijkste, lijkt me, is om niet stil te vallen, om te blijven wandelen, heen en weer, zonder te stoppen met waarnemen en luisteren, vragen, denken, en weer waarnemen.