IN OKTOBER 1870, amper zestien jaar oud, schreef Arthur Rimbaud het indringende anti-oorlogsgedicht Le Dormeur du val. Het ontstond tegen de achtergrond van de Frans-Duitse Oorlog, die een keerpunt kende met de gevangenneming van Napoleon III na de Slag bij Sedan. 

Die veldslag vond plaats op nauwelijks twintig kilometer van Charleville, de woonplaats, van Rimbaud. Deze nabijheid geeft het gedicht een bijna tastbare urgentie.

De 17-jarige Arthur Rimbaud, door Etienne Carjat

 

Le dormeur du val

C'est un trou de verdure où chante une rivière 
Accrochant follement aux herbes des haillons 
D'argent, où le soleil, de la montagne fière 
Luit: c'est un petit val qui mousse de rayons. 
 
Un soldat jeune, bouche ouverte, tête nue, 
Et la nuque baignant dans le frais cresson bleu, 
Dort; il est étendu dans l'herbe, sous la nue, 
Pâle dans son lit vert où la lumière pleut. 

Les pieds dans les glaïeuls, il dort. Souriant comme
Sourirait un enfant malade. Il fait un somme.
Nature, berce-le chaudement: il a froid. 
 
Les parfums ne font pas frissonner sa narine; 
Il dort dans le soleil, la main sur sa poitrine 
Tranquille. Il a deux trous rouges au côté droit.

 

De slaper in het dal

Een kuil vol groen waar een rivier door zingt
Die kruid met flarden zilver onbesuisd
Bespat; vanaf de fiere bergkam blinkt
De zon: een klein dal dat van stralen bruist.
.
Een jong soldaat, blootshoofds, met open mond,
De nek in blauwe kers gedompeld, ligt
In open lucht te slapen op de grond,
Bleek in zijn groene bed vol plenzend licht.
.
Zijn voeten in het lis, zo slaapt hij. Zwakjes
Lachend zoals een ziek kind, soest hij zachtjes:
Natuur, wieg hem vol warmte: kou lijdt hij.
.
De geuren doen zijn neusvleugels niet trillen;
Hij slaapt in de zon, één hand op zijn stille
Borst, rechts twee rode gaten in de zij.

Vertaling: Paul Claes
 

Le dormeur

Ruim een eeuw later, in 1974, neemt de Franse cineast Pascal Aubier dit gedicht als vertrekpunt voor een tekstloze kortfilm. Hij verfilmt het niet, maar herneemt het als een ervaring in de tijd. De film bestaat uit één lange, ononderbroken camerabeweging: een trage tocht door een landschap die uiteindelijk uitkomt bij een jongen – een soldaat – die in het gras ligt, ogenschijnlijk slapend, met een geweer naast zich. In de laatste beelden blijkt dat hij stervende is.

 

Uitgestelde kennis

In beide gevallen worden we geconfronteerd met een eenvoudige maar ontwrichtende ervaring: wat eerst rust en onschuld lijkt, blijkt iets anders te dragen.

Waar het gedicht de soldaat al vroeg introduceert, houdt de film hem lange tijd buiten beeld. Hij verschijnt pas op het einde, als sluitstuk van de beweging. 
Toch delen beide werken eenzelfde stijlkenmerk: ze zijn gebouwd op uitgestelde kennis. Pas in de laatste regels besef je wat je hebt gelezen; pas in het laatste beeld wat je hebt gezien.

Maar de verschillen zijn groot, en die hebben alles te maken met de gekozen kunstvorm.

Het gedicht leidt ons via taal naar een onthulling. Het roept het beeld op van een zwaargewonde die zich naar een idyllische plek heeft begeven om te sterven. We ‘lezen’ de soldaat haast objectief, vanop afstand.

De film maakt die afstand kleiner via duur en beweging. Door de trage benadering verschuift onze positie: we kijken niet alleen, we bewegen mee. We observeren niet langer, maar naderen de ervaring van iemand die zich uit de wereld terugtrekt, op zoek naar een laatste, stille plek. Die ervaring dankt haar kracht aan de vorm: de film bestaat uit één ononderbroken beweging. In fragmenten zou dat dwingende effect verloren gaan.

Wat zien we – en wat zien we pas wanneer we blijven kijken? In een beeldcultuur als de onze wordt dat een prangende vraag.

Het is geen toeval dat Andrei Tarkovsky deze film vermeldt in zijn boek De verzegelde tijd. Ook voor hem ontstaat betekenis pas in de tijd van het beeld.