Door Karel Vereertbrugghen
VOOR MEN het bewerkte melksap van de Hevea brasiliensis rubber ging noemen, heette het materiaal caoutchouc, een woord afkomstig uit een Zuid-Amerikaanse indianentaal.
Nog een rubbersynoniem is gummi, zoals in ‘knalrode gummiboot’. Gummi verwijst naar Arabische gom, een hars dat al eeuwenlang op dezelfde wijze wordt geoogst, door insnijdingen in de boombast.
En omdat het rekbaar was, noemde men rubber soms ook gewoon elastiek.
Het woord rubber zelf danken we aan de Engelse scheikundige Joseph Priestley, de man die het bruiswater uitvond. En ook de vlakgom. In 1770 ontdekte hij immers dat je met een stukje gummi potloodlijnen kon wegwrijven. Met rubber, ‘wrijver’, werd eerst een gom bedoeld, later het materiaal waaruit die vervaardigd was.