WE STARTEN bij een bijzonder feit. Aan het begin van een mens staan twee cellen. Eén zaadcel en één eicel. Ze komen bij elkaar en versmelten tot één nieuwe cel: de zygote.

 

Het raadsel van de zygote

Die nieuwe cel is niet zomaar de optelsom van de twee vorige. Zaadcel en eicel brengen ieder hun genetische bijdrage mee. Toch is de zygote niet een halve vader plus een halve moeder. Er is iets nieuws ontstaan: één cel met een eigen genetische combinatie. 

Eén plus één is hier dus geen twee. Neen: 1 + 1 = 1 …

Dat is eigenlijk al merkwaardig genoeg. Maar dan begint het pas echt. Die ene cel begint zich te delen. Eén wordt twee. Twee worden vier, vier worden acht. En zo gaat het verder. Supersnel.

De cellen vermenigvuldigen zich niet alleen. Ze gaan ook van elkaar verschillen. Ze specialiseren zich. En dat terwijl ze vrijwel allemaal hetzelfde DNA bevatten. Tijdens de ontwikkeling worden in verschillende cellen verschillende genen actief. Hierdoor kunnen cellen met vrijwel hetzelfde DNA totaal andere vormen aannemen en andere dingen gaan doen. Er ontstaan huidcellen, bloedcellen, botcellen, spiercellen, zenuwcellen...

Uit één cel ontstaat dus een explosie van verschil. Een volwassen mens bestaat uit zo’n 30.000 miljard cellen. Ik kan me bij dit getal nauwelijks iets voorstellen. En toch eindigen we niet met een gigantische verzameling losse cellen. Ze organiseren zich. Ze vormen weefsels, organen en systemen, en hangen op ontelbare manieren met elkaar samen. Uit die enorme veelheid cellen ontstaat één levend organisme. Een mens.

Een mens begint dus verbazend klein: met twee minuscule cellen die één cel worden. We gaan dan van die ene cel naar biljoenen cellen. En van die biljoenen naar één mens. Een mens die, zoals ieder mens, uniek is. 

Wanneer die mens het leven doorgeeft, begint de hele beweging opnieuw. In een lichaam waarvan vrijwel alle cellen het volledige erfelijke materiaal bevatten, ontstaan geslachtscellen – eicellen of zaadcellen – met elk slechts de helft van dat materiaal. Pas wanneer een eicel en een zaadcel samenvloeien, ontstaat opnieuw één cel met een volledige, nieuwe combinatie van DNA: een nieuwe zygote [1].

De ontzaglijke complexiteit van een mens keert zo als het ware terug naar het begin: één cel. En dan kan alles opnieuw starten.

 

Het raadsel van de persoon

Maar wat betekent dat woordje één eigenlijk? Natuurlijk gaat het niet telkens over hetzelfde soort één. Een cel is iets anders dan een organisme. En ook die ene cel is, van dichterbij bekeken, alweer een wereld van onderdelen.

Dat is juist wat me fascineert. Biologisch gezien is een mens helemaal niet zo eenvoudig één. We zijn een ontzaglijke veelheid. Een huidcel is geen zenuwcel, een zenuwcel geen bloedcel. Ze zien er anders uit, doen andere dingen en toch behoren ze allemaal tot hetzelfde lichaam en komen uit dezelfde zygote. 

Dat is nog het vreemdst: een mens kan alleen ontstaan doordat zijn cellen tijdens de ontwikkeling van elkaar gaan verschillen. Verschil staat de eenheid niet in de weg. Integendeel, het maakt haar juist mogelijk. En toch spreken we niet over biljoenen afzonderlijke organismen. We spreken over één levend organisme. Eén unieke mens.

Het raadsel van de zygote wordt zo een ander raadsel: hoe kan een veelheid één worden zonder op te houden een veelheid te zijn?

 

Eenheid

Een wetenschappelijk antwoord op die vraag heb ik niet. Maar het is dan ook niet alleen een wetenschappelijke vraag. 

Wellicht denk ik te snel dat één het tegenovergestelde is van veel. Alsof eenheid betekent dat verschillen moeten verdwijnen.

Een levend lichaam laat iets anders zien. Het bestaat juist bij gratie van verschil. Een hartcel hoeft geen zenuwcel te worden om tot hetzelfde lichaam te behoren. Cellen moeten niet hetzelfde worden. Ze moeten samen een lichaam kunnen vormen. En daar reikt de gedachte voor mij verder dan de biologie.

Ik vind dat haast onvoorstelbaar mooi.

Eén zijn betekent niet noodzakelijk: hetzelfde zijn. Het kan ook betekenen dat wat verschillend is zo met elkaar verbonden raakt dat er iets ontstaat wat geen van de delen afzonderlijk kan zijn.

Er ontstaat samenhang.

Ik vind dat haast onvoorstelbaar mooi.

Eén is dan geen toestand. Het is een verhouding.

 

Nog even dit

Met dank aan Paul De Keyser voor de uitstekende suggesties.

Siddharta Mukherjee, Het gen. Een intieme geschiedenis., 2016, De Bezige Bij, 9789023498384 

Het boek is uiteraard te verkrijgen via barbóék en de betere boekhandels.

[1] Daarbij doet zich nog een merkwaardige asymmetrie voor. Een eicel bevat altijd een X-chromosoom, terwijl een zaadcel een X- of een Y-chromosoom bevat. Het is dus de zaadcel die bij de bevruchting bepaalt of de nieuwe zygote XX of XY is. Wie zich dus ooit afvroeg wie ‘beslist’ of het een jongen of een meisje wordt: genetisch gezien ligt het beslissende chromosomale verschil bij de man. 

Nog een bijzonder verschil: een meisje wordt geboren met een gegeven voorraad cellen waaruit vanaf de puberteit eicellen kunnen rijpen. Bij een jongen begint de productie van zaadcellen pas later, vanaf de puberteit. Die productie gaat voortdurend door; de aanmaak en rijping van een zaadcel duurt twee à drie maanden.