ISRAEL ONDERHOUDT historische banden met vele landen, zeker in Europa. Maar de redenen voor Europese steun verschillen sterk van die van de Verenigde Staten. Na Auschwitz kon Europa zichzelf niet langer zien als het vanzelfsprekende centrum van beschaving — precies omdat de barbarij uit zijn eigen hart was voortgekomen. Denkers als Hannah Arendt, George Steiner en Zygmunt Bauman wezen erop dat Auschwitz niet alleen een misdaad was, maar ook een morele breuk: het moment waarop Europa moest erkennen dat barbarij uit zijn eigen beschaving kon voortkomen [1]. Dat schuldbesef is een van de redenen waarom Europese landen jarenlang — soms tegen beter weten in — steun hebben verleend aan Israël. Voor veel Europeanen betekende de Joodse staat niet alleen een politiek project, maar ook een antwoord op een historische misdaad die in Europa zelf was gepleegd. Zeker in Duitsland weegt die historische verantwoordelijkheid zwaar. Ze wordt zelfs samengevat in één woord: Staatsräson. 

In haar historische toespraak in de Knesset op 18 maart 2008 sprak Merkel over de historische verantwoordelijkheid van Duitsland voor de veiligheid van Israël  © picture-alliance/ dpa

In 2008 verwoordde kanselier Angela Merkel het zo in de Knesset: “Duitsland en Israël zijn en blijven – en wel voor altijd – op een bijzondere manier met elkaar verbonden door de herinnering aan de Shoah. […] Elke Duitse regering en elke bondskanselier vóór mij hebben zich door de bijzondere historische verantwoordelijkheid van Duitsland ingezet voor de veiligheid van Israël. Deze historische verantwoordelijkheid van Duitsland maakt deel uit van de Staatsräson van mijn land.” [2] 

Tegelijk groeide in Europa een paradox. Terwijl Europa zich door de Holocaust moreel verplicht voelt tegenover Israël, beroept Europa zich tegelijk op internationaal recht en mensenrechten om Israëlisch beleid te bekritiseren. Europa probeert zo verantwoordelijkheid te dragen voor het verleden én normatieve grenzen te trekken voor het heden. Nie wieder.

 

Amerika is als het volk van Israël — en Israël als Amerika

In de Verenigde Staten ligt dat totaal anders. Amerikaanse presidenten kiezen consequent de zijde van Israël, zelfs wanneer dat land — althans in de ogen van velen — tegen het internationaal recht opereert. 

Veel Amerikanen herkennen in Israël hun eigen nationale mythe.

Volgens de Amerikaanse cultuurhistoricus Amy Kaplan (1953-2020) moeten we de reden hiervoor niet alleen zoeken in geopolitiek of strategische belangen. In haar boek Our American Israel (2018) toont ze dat Israël voor de Verenigde Staten vaak meer is dan een bondgenoot. In de Amerikaanse verbeelding fungeert Israël als een spiegel waarin Amerika zijn eigen verhalen herkent die ze al eeuwen over zichzelf vertellen. Ze herkennen in Israël hun eigen nationale mythe [3]

De wortels van dat denken gaan ver terug. In 1630 beschreef de puriteinse leider John Winthrop (1588 - 1649) in zijn tekst A Model of Christian Charity (1630) de nieuwe kolonie, New England, als een gemeenschap die als voorbeeld voor de wereld moest dienen, een ‘city upon a hill’, geroepen om vrijheid en democratie te belichamen.  De puriteinen begrepen hun migratie naar Amerika letterlijk als een nieuwe Exodus: Engeland werd gezien als Egypte, de oceaan als de woestijnreis en New England als het beloofde land met een bijzondere roeping.

In de negentiende eeuw ging de Amerikaanse schrijver Herman Melville nog een stap verder. In White-Jacket (1850) schreef hij dat Amerikanen “het Israël van onze tijd” waren: “Wij Amerikanen zijn het bijzondere, uitverkoren volk – het Israël van onze tijd; wij dragen de ark van de vrijheden van de wereld.” [4] 

Deze religieuze dimensie speelt ook vandaag nog een rol in de Amerikaanse politiek. In een interview met de evangelische zender CBN in 2019 suggereerde minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo bijvoorbeeld dat het “mogelijk” was dat God Donald Trump tot president had gemaakt om Israël tegen Iran te beschermen. Dit laat zien hoe religieuze verbeelding nog altijd meespeelt in de manier waarop sommige Amerikaanse politici de relatie met Israël begrijpen [5]

Het Amerikaanse exceptionalisme — het geloof dat de Verenigde Staten een unieke rol in de wereld (moeten) spelen — vertoont volgens Kaplan duidelijke gelijkenissen met het Israëlische gevoel van historische uitzonderlijkheid. Israël verschijnt voor Amerikanen dan als een herkenbare echo: een democratie die een land opbouwt, zich verdedigt tegen vijanden en een bijzondere historische missie vervult.

Dergelijk zelfbeeld heeft politieke gevolgen: het voedt de overtuiging dat men niet altijd aan dezelfde regels gebonden is als anderen [6].

 

De mythe van de bedreigde democratie

Dat zelfbeeld combineert een morele missie met een gevoel van kwetsbaarheid: een machtige natie die zichzelf tegelijk ziet als bedreigd omdat zij vrijheid en beschaving vertegenwoordigt. In dat narratief verschijnt Israël vaak als een herkenbare echo van het Amerikaanse verhaal: een kleine democratie die standhoudt in een vijandige omgeving. 

Ook de Amerikaanse populaire cultuur versterkte dat beeld. Het pioniersverhaal behoort tot de oudste mythen van de Amerikaanse cultuur. Generaties Amerikanen leerden het kennen via literatuur en films waarin kolonisten een nieuw land ontginnen en zich verdedigen tegen bedreigingen aan de frontier: klassieke films zoals Stagecoach (John Ford, 1939), High Noon (Fred Zinneman, 1952) en The Searchers (John Ford, 1956) en succesromans als The Last of the Mohicans (James Fenimore Cooper, 1826) of Little House on the Prairie (Laura Ingalls Wilder, 1935). Allen vertellen ze variaties van datzelfde verhaal. 

Stagecoach (John Ford, 1935): kolonisten verdedigen zich tegen bedreigingen aan de frontier.

 

Toen in de twintigste eeuw de stichting van Israël in de Amerikaanse cultuur werd verbeeld, gebeurde dat opvallend vaak in precies diezelfde taal van pioniers en frontier, bijvoorbeeld in vroege films zoals Hill 24 Doesn’t Answer (Thorold Dickinson, 1955). Kaplan besteedt veel aandacht aan de bestseller Exodus van Leon Uris (1958) — en de gelijknamige film uit 1960 met Paul Newman in de hoofdrol [7]. In dat verhaal verschijnt de stichting van Israël als een meeslepend, episch pioniersverhaal: een gemeenschap die een woestijn tot bloei brengt en een democratische samenleving opbouwt in een vijandige omgeving. 

Dat pioniersethos werd ook door Israëlische leiders zelf benadrukt. De founding father David Ben-Gurion beschreef de stichting van Israël herhaaldelijk als het werk van pioniers (halutzim) die een land opbouwden en een nieuwe samenleving creëerden, omringd door vijanden [8]

In de Amerikaanse politieke cultuur bestaat al lang een gelijkaardige combinatie van macht en kwetsbaarheid. Van de frontier-mythe tot de retoriek na 11 september verschijnt Amerika vaak tegelijk als bedreigd slachtoffer en als drager van een morele missie. President George W. Bush vatte dat narratief in 2001 na de aanslag zo samen: “Ze hebben een hekel aan onze vrijheden – onze vrijheid van godsdienst, onze vrijheid van meningsuiting, onze vrijheid om te stemmen, bijeen te komen en het oneens te zijn met elkaar.” 
Hier verschijnt Amerika tegelijk als slachtoffer (“zij vallen ons aan”) en als drager van universele waarden. Dat is precies de structuur van wat soms het “invincible victim”-narratief wordt genoemd: de machtige staat die zichzelf beschrijft als bedreigd omdat hij moreel juist is. Binnen dat denkraam wordt ook de band met Israël vaak begrepen [9]

Wat hier gebeurt, is precies wat Amy Kaplan analyseert: Israël wordt niet alleen beschreven als een bondgenoot, maar als een spiegel van de Amerikaanse oorsprongsmythe — een samenleving die, zoals de Amerikaanse pioniers, een land opbouwt tegen alle verwachtingen in. Zo ontstaat het beeld van twee belaagde naties die zichzelf begrijpen als dragers van een bijzondere historische roeping — en die elkaar in dat verhaal herkennen en bevestigen.

 

Koloniale wortels

Kaplan plaatst die verwantschap bovendien in een bredere historische context. Zowel de Verenigde Staten als Israël zijn mede ontstaan uit Europese koloniale bewegingen. Zoals Kaplan opmerkt, is een tekstregel uit het themalied van de film“This land is mine, / God gave this land to me” – misschien wel een van de meest beknopte en aangrijpende stukjes politieke overtuigingskracht over kolonisatie, waarbij territoriale verovering wordt gebaseerd op een goddelijk gebod. 

Palestijnen verdwijnen in die narratieven vaak naar de achtergrond, terwijl Arabieren en moslims vooral worden voorgesteld als de tegenstander in een vermeende botsing van beschavingen [10]. Dit doet denken aan de manier waarop ook in de Amerikaanse frontier-mythe de oorspronkelijke bewoners van het continent naar de achtergrond verdwenen of als gevaarlijk worden bestempeld [11], [12]

Vanaf de jaren tachtig diende het narratief waarmee Israël in de Verenigde Staten werd voorgesteld, te wijzigen. De romantische pioniersmythe van de jonge staat — het verhaal van kibboetsim, woestijnen die tot bloei werden gebracht en een kleine democratie die zich verdedigde tegen vijandige buren — werd moeilijker vol te houden. De oorlog in Libanon, de bloedbaden in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila (1982) en later de Palestijnse opstanden van de eerste (1987 e.v.) en tweede (2000 e.v.) intifada’s confronteerden het internationale publiek met een andere realiteit van het conflict. Vele Amerikanen en Europeanen - vooral aan linkerzijde – waren in shock

De bloedige moordpartijen in Sabra en Shatila (1982) werden ruimschoots naar buiten gebracht door buitenlandse journalisten. Ze waren mede de oorzaak van de heroriëntatie van het narratief rond Israël: van pioniersmythe naar de Holocaust als moreel referentiepunt.

Om de publieke opinie terug mee te krijgen kreeg de herinnering aan de Holocaust een steeds centralere plaats in de manier waarop Israël en zijn bondgenoten het conflict duiden. In de vroege populaire verbeelding van Israël stond het pioniersverhaal centraal, niet de Holocaust. In Exodus van Leon Uris uit 1958 bijvoorbeeld speelt de Holocaust slechts een beperkte rol. Maar vanaf de jaren tachtig wordt de Holocaust vaker het morele referentiepunt van het verhaal: het bewijs dat de Joodse staat uiteindelijk een existentiële noodzaak was. Zoals Golda Meir al in 1973 tegen de jonge senator Joe Biden zei: “We hebben een geheim wapen in onze strijd. We kunnen nergens anders heen.” (CNN, 18 oktober 2023)
Het verhaal verandert, maar de functie blijft dezelfde: het moet de bijzondere band tussen Israël en zijn bondgenoten moreel begrijpelijk maken.

 

Van mythe naar geopolitiek

Dat narratief blijft niet beperkt tot cultuur of retoriek. Het beïnvloedt ook hoe conflicten worden geïnterpreteerd. Wanneer Israël zich presenteert als een democratie die onder existentiële dreiging staat, herkennen veel Amerikanen daarin meteen een echo van hun eigen nationale verhaal. 

Die identificatie kreeg ook een geopolitieke vertaling. Vandaag zien we dat in de Amerikaanse steun voor Israël in Gaza, in de confrontaties met Iran en in de spanningen met Hezbollah in Libanon. In dat geheel verschijnen de Verenigde Staten telkens opnieuw als de strategische beschermer van Israël. 

Een belangrijk moment in die ontwikkeling was de Jom Kippoer-oorlog. Toen Egypte en Syrië in 1973 Israël onverwacht aanvielen, organiseerden de Verenigde Staten een enorme luchtbrug om Israël van wapens en munitie te voorzien. Toen de Sovjet-Unie dreigde militair in te grijpen, bracht president Richard Nixon de Amerikaanse strijdkrachten in een nucleaire alarmfase — ongezien tijdens de Koude Oorlog. Voor veel historici vormt deze crisis een keerpunt. Vanaf dat moment werd Israël een centrale strategische bondgenoot van de Verenigde Staten en werd zijn veiligheid ook een strategisch belang van Washington [13]. In de context van de Koude Oorlog zag Washington in Israël een regionale macht die pro-Sovjet regimes in het Midden-Oosten kon tegenhouden — een visie die ook terugkomt in de memoires van Henry Kissinger [14].

 

Het eigen verhaal gespiegeld

Kortom, de bijzondere band tussen Washington en Jeruzalem wortelt dus niet alleen in geopolitiek, maar ook diep in de Amerikaanse verbeelding.

Wanneer Amerikaanse presidenten hun steun aan Israël uitspreken, spreken zij daarom vaak niet alleen als strategen, maar ook als vertellers van een nationaal verhaal. Zoals president Bill Clinton het in 1996 formuleerde: “De Verenigde Staten staan Israël bij in goede en in slechte tijden, omdat onze landen dezelfde idealen delen: vrijheid, verdraagzaamheid en democratie.”

In deze lange traditie past ook het beleid van Donald Trump. Hij spreekt over een bijzondere band tussen de USA en Israël: “Israël is een licht voor de wereld. De harten en de geschiedenis van ons volk zijn met elkaar verweven.” Toen hij Jeruzalem erkende als hoofdstad van Israël en de Amerikaanse ambassade daarheen verplaatste, presenteerde hij dat niet alleen als een strategische beslissing, maar ook als een erkenning van een historische en morele verbondenheid. 

Trump heeft die mythe niet uitgevonden. Hij heeft alleen uitgesproken wat in de Amerikaanse politieke verbeelding al lang aanwezig was. Misschien ligt daarin de diepste verklaring voor de bijzondere band tussen Washington en Jeruzalem. De relatie tussen beide landen is niet alleen het resultaat van geopolitieke belangen of strategische allianties. Israël is voor Amerika ook een spiegel waarin het zijn eigen nationale verhaal herkent [15].

 

Nog even dit

[1] Zoals George Steiner het formuleerde: “We weten nu dat een man ’s avonds Goethe of Rilke kan lezen, Bach of Schubert kan spelen, en vervolgens naar zijn dagelijkse werk in Auschwitz kan gaan.” Met andere woorden: de wereld van Auschwitz ligt niet buiten, maar binnen de beschaving van Goethe, Bach en Kant. (Language and Silence - 1967) Socioloog Zygmunt Bauman stelde zelfs dat de Holocaust geen ontsporing van de Europese beschaving was, maar een product ervan. Auschwitz gebeurde niet buiten de moderniteit, maar in haar hart. Daarmee bedoelt Bauman dat elementen van de moderne samenleving — bureaucratie, rationalisering, technologische efficiëntie, gehoorzaamheid aan systemen — het mogelijk maakten dat genocide kon plaatsvinden. Modernity and the Holocaust (1989). Met andere woorden: met het uitroeien van de joodse beschaving in de Shoah, stopte ook de Europese beschaving.  

[2] “Rede von Bundeskanzlerin Dr. Angela Merkel vor der Knesset am 18. März 2008 in Jerusalem”, in: www.bundesregierung.de

[3] Amy Kaplan, Our American Israel, The Story of an Entangled Alliance. 2025 (2018), Harvard University Press, 9780674301788  

[4] Een ruimer citaat: “Wij Amerikanen zijn het bijzondere, uitverkoren volk – het Israël van onze tijd; wij dragen de ark van de vrijheden van de wereld. . . .God heeft ons, als toekomstige erfenis, de uitgestrekte gebieden van de politieke heidenen gegeven, die nog zullen komen en zich onder de schaduw van onze ark zullen neerleggen, zonder dat er bloedige handen worden opgeheven. God heeft voorbestemd, de mensheid verwacht, grote dingen van ons ras; en grote dingen voelen wij in onze ziel...” Andrew Delblanco, “Excerpt: Melville”, in: npr, december 12, 2005 .

[5] Dat religieuze draagvlak heeft ook een belangrijke demografische dimensie. In de Verenigde Staten leven ongeveer zeven miljoen joden en tientallen miljoenen evangelische christenen. Binnen die evangelische wereld bestaat een sterke stroming van christelijk zionisme: gelovigen die Israël actief steunen omdat zij geloven dat het bestaan van de Joodse staat deel uitmaakt van Gods plan in de geschiedenis. In die zin zijn er vandaag waarschijnlijk meer christelijke zionisten dan joden die politiek sterk pro-Israël zijn. Dit ligt in de lijn van wat Joe Biden zei in 2022 in Israël: “You need not be a Jew to be a Zionist.”.  

[6] Het idee van nationale uitzonderlijkheid is overigens niet uniek voor de Verenigde Staten of Israël. Ook elders duikt een vergelijkbare logica op. In het Rusland van Vladimir Poetin bijvoorbeeld wordt het land voorgesteld als drager van een bijzondere beschaving met een historische missie. Net als bij het Amerikaanse exceptionalisme gaat het om een zelfbeeld waarin een natie zichzelf ziet als moreel en historisch uitzonderlijk. Ook Poetin vindt dat hij daardoor boven de regels staat. In al die gevallen speelt religie — of minstens een moreel geladen taal — een belangrijke rol. Het Amerikaanse exceptionalisme is historisch doordrenkt van bijbelse beelden: de natie als “city upon a hill”, een gemeenschap met een bijzondere opdracht in de wereld. Ook het zionistische verhaal bevat een religieuze en historische dimensie waarin een volk terugkeert naar een land dat een bijzondere betekenis draagt. En in het Rusland van Vladimir Poetin wordt het nationale project steeds vaker verbonden met de orthodoxe traditie en het idee van Rusland als drager van een eigen beschaving. In alle gevallen verleent religieuze of morele taal een politieke missie een bijna sacraal karakter. 

[7] Leon Uris, Exodus, Hollandia, 1959, 90-6045-504-5 Dit boek dat leest als een thriller.. De impact van het boek was enorm. Exodus verkocht wereldwijd miljoenen exemplaren en werd voor een hele generatie Amerikanen de manier waarop zij het ontstaan van Israël leerden kennen. Het was de grootste bestseller in de VS sinds Gone with the Wind en stond maandenlang bovenaan de bestsellerlijsten.  
Ik heb een Nederlandstalige editie uit 1990: de 43e druk!  

[8] Het boek Rebirth and Destiny of Israel uit 1954 bevat een groot aantal toespraken en essays van Ben-Gurion. Je kan dat online lezen op het Internet Archive .  

[9] Binnen dat denkraam wordt ook de band met Israël vaak begrepen. Amerikaanse presidenten hebben doorheen verschillende generaties hun diepe verbondenheid met Israël benadrukt — van Harry S. Truman en John F. Kennedy tot Ronald Reagan, Barack Obama en Joe Biden.  
Enkele voorbeelden illustreren hoe sterk die identificatie is.  
Na de Balfour Declaration verklaarde president Woodrow Wilson in 1917: “Wat ben ik trots dat ik, dankzij de lessen die mijn vader mij heeft bijgebracht, het voorrecht heb gehad om het Heilige Land terug te geven aan de rechtmatige eigenaren.”  
In 1996 zei president Bill Clinton: “De Verenigde Staten staan Israël bij in goede en in slechte tijden, omdat onze landen dezelfde idealen delen: vrijheid, verdraagzaamheid en democratie.”  
Kort na zijn aantreden in 2001 verklaarde George W. Bush: “De geschiedenis van het Joodse volk is een verhaal van verzet tegen onderdrukking en van geduld in tijden van beproeving … Dit verhaal gaat verder in de verdediging van de staat Israël.”  
Donald Trump verwoordde die identificatie bijna in religieuze termen toen hij in 2019 zei: “Israël is een licht voor de wereld. De harten en de geschiedenis van ons volk zijn met elkaar verweven. Het Land Israël is een eeuwenoude thuis, een heilige plaats van aanbidding en een plechtige belofte aan het Joodse volk dat we de donkerste uren uit de geschiedenis nooit meer zullen herhalen.”  

[10] De voorstelling van Arabieren en moslims als een culturele tegenstander sluit aan bij wat Edward Said in beschreef als een westerse traditie waarin “het Oosten” fungeert als een spiegelbeeldige “ander” tegenover wie het Westen zijn eigen identiteit definieert.  
Edward Said, Orientalisme, 2022 (1978), Athenaeum, 9789025314064

[11] Sommige historici beschrijven dergelijke patronen als “settler colonialism”.  
Volgens de historicus Patrick Wolfe is nederzettingskolonialisme geen eenmalige gebeurtenis maar een blijvende structuur waarin kolonistenmaatschappijen hun bestaan legitimeren door de oorspronkelijke bevolking te marginaliseren of uit het nationale verhaal te laten verdwijnen. Zie Patrick Wolfe, “Settler colonialism and the elimination of the native”, in: Journal of Genocide Research , 2006, 387–409.  
Gelijkaardige vormen van demonisering duiken overigens ook op in de Amerikaanse binnenlandse politiek: Afro-Amerikanen worden vaak geassocieerd met criminaliteit, moslims met terrorisme en immigranten met geweld en sociale ontwrichting. Trump is zeer goed in dit soort van demoniserende en vernietigende veralgemeningen.  

[12] In “The Essence of Trump 2.0 Is Violent White Supremacy” (Zeteo, 15 januari 2026 ) stelt journalist John Harwood, een veteraan van de Amerikaanse politieke journalistiek, dat Trump steeds explicieter appelleert aan een vorm van wit etnisch nationalisme. Door witte Amerikanen te presenteren als slachtoffers van immigratie en demografische verandering creëert hij volgens Harwood een paradoxaal politiek verhaal waarin een dominante groep zichzelf tegelijk als bedreigd slachtoffer voorstelt. De parallellen met het “invincible victim”-narratief zijn opvallend.  

[13] Zie onder andere Salim Yakub, Imperfect strangers: Americans, Arabs, and U.S.–Middle East Relations in the 1970s, 2016, Cornell Univ Pr, 9780801448836  
William B. Quandt, Peace Process: American Diplomacy and the Arab-Israeli Conflict since 1967University of California Press, 2005, 9780520246317

[14] Henry Kissinger, The White House Years 1968-72, Weidenfeld & Nicholson, 1979, 978-0718118686. Zie vooral Part V — The Middle East, met name over de Jom Kippoer-oorlog en de luchtbrug.

[15] Nog een laatste kanttekening. In de Amerikaanse publieke opinie begint de steun voor Israël stilaan te verschuiven. Volgens recente peilingen verzet een meerderheid van de Amerikaanse kiezers zich vandaag tegen bijkomende economische en militaire hulp aan Israël — een opmerkelijke ommekeer sinds de aanslagen van 7 oktober 2023. 
Lisa Lerer en Ruth Igielnik, “Americans’ Support for Israel Dramatically Declines, Times/Siena Poll Finds”, in: The New York Times, Sept. 29, 2025