Pieter Vereertbrugghen maakt zich zorgen over de kinderopvangmarkt waar publieke middelen doorstromen naar private fondsen.

DAT EEN MULTINATIONAL als Babilou in één beweging 851 extra gesubsidieerde opvangplaatsen binnenhaalt, wordt voorgesteld als pragmatisme. De nood is hoog, elke organisatie die aan de voorwaarden voldoet is welkom. Maar wie bepaalt wat “voldoen” betekent? En welke logica sluipt binnen wanneer gesubsidieerde zorg wordt georganiseerd in een geprivatiseerde markt?

Babilou is geen buurtinitiatief, maar een internationale groep in handen van investeringsfondsen. Volgens kredietrapporten werkt het bedrijf met een brutomarge van om en bij de 20 procent en realiseert Babilou het grootste deel van zijn omzet in gesubsidieerde markten. Publieke middelen vormen dus een stabiele inkomstenstroom. Zowel in Frankrijk als in Nederland worden grote vragen gesteld bij dergelijke beweging.

Kinderopvang verschijnt in financiële rapporten als “infrastructuur”: voorspelbare cashflow, veilige belegging. Maar zorg volgt geen infrastructuurlogica. Zorg vraagt tijd, nabijheid, continuïteit en stabiele teams. Rendement vraagt schaalvergroting en efficiëntie. Die spanning kan men reguleren, maar niet opheffen.

De vraag is daarom niet of Babilou de regels volgt, maar waarom we een zorgsector zo organiseren dat internationale fondsen er structureel winst uit kunnen halen.

 

Hetzelfde stramien

Misschien nog fundamenteler: waarom is collectieve kinderopvang de vanzelfsprekende norm geworden? We hebben een systeem gebouwd dat arbeid maximaliseert en zorg externaliseert. Het is economisch normaal en noodzakelijk dat beide ouders voltijds werken, terwijl de zorg voor jonge kinderen wordt uitbesteed. Wat als we dat uitgangspunt ter discussie stellen? Wat als ouders de reële keuze krijgen dat één van hen thuis kan blijven bij jonge kinderen, met een volwaardig inkomen — bijvoorbeeld 2.500 euro netto per maand met pensioenopbouw — gedurende de eerste levensjaren van hun kinderen.

Dat is geen pleidooi voor traditionele rolpatronen, maar voor echte keuzevrijheid, voor moeders én vaders. Vandaag is de keuze vaak economisch gestuurd: wie thuisblijft, betaalt daar een hoge financiële prijs voor.

Waarom zouden we niet een deel van de publieke middelen rechtstreeks aan gezinnen toekennen? Niet om kinderopvang af te schaffen, maar om zorg in de primaire relatie opnieuw mogelijk te maken. Kinderopvang blijft essentieel. Maar het huidige model stuurt bijna iedereen in hetzelfde stramien: tweeverdieners, externe opvang, marktorganisatie.

We discussiëren over wie crèches mag uitbaten, maar zelden over waarom we zorg zo massaal zijn gaan uitbesteden. Zorg is geen activaklasse. Ze is de basis van een samenleving.

 

Nog even dit

Dit artikel is gebaseerd op een uitgebreidere analyse in Het Verzet: Krijsen in de crèche.