Het manifest uit 1991 kan je downloaden als pdf (zie ondereaan artikel)



De volledige werkelijkheid zien


De mens is niet enkel een lichamelijk wezen. Hij bezit ook een onlichamelijke kant. Het bewustzijn en zijn inhouden zijn niet te herleiden tot de wetten van de levenloze natuur. De wetten van de natuurkunde voorspellen de verschijning van het bewustzijn niet. De mens heeft bewustzijnsinhouden, heeft herinneringen, heeft een karakter. Datgene wat al deze dingen bezit, is het menselijk ‘ik’, de eigenlijk kern van het individu.
De gelijkheid van alle mensen berust niet op hun lichamelijke overeenkomst of op het hebben van gelijke talenten of psychische eigenschappen. In lichamelijk en psychisch opzicht kunnen mensen zeer verschillen. Toch heeft de rechtsgelijkheid van alle mensen een objectieve grond. Alle mensen zijn een ‘ik’. Op het niveau van deze onlichamelijke wezenskern zijn ze volstrekt gelijk. Alle aanwijsbare verschillen zijn steeds verschillen die de mens heeft. Een andere objectieve grond voor gelijkberechtiging (en bij voorbeeld de verwerping van het racisme) is niet te vinden. Het is dus wezenlijk om het onlichamelijk, geestelijk aspect van de werkelijkheid ten volle mee te beschouwen. Wij moeten leren de volledige werkelijkheid te zien.


In deze zin plaatsen de leden van NICOLAAS zich tegenover de eenzijdige materialistische wereldbeschouwing.


Pas door het onstoffelijk karakter van ons denken ontstaat de mogelijkheid dat dit denken waarheid kan onderscheiden van onwaarheid. Indien ons denken uitsluitend op fysische processen zou berusten, dan zouden we volledig in het duister blijven tasten betreffend de vraag of ons denken tot waarheid leidt. Ieder menselijk streven naar inzicht –ook op politiek vlak– zou dan in wezen zinledig worden. Materialistisch geïnspireerde politici trekken deze brutale conclusie niet omdat ze niet consequent doordenken. Maar hun materialistische overtuiging kan hen wel tot mensvijandige daden verleiden, omdat ze bijvoorbeeld gaan geloven dat de overtuiging van de mensen in laatste instantie alleen door uitwendige factoren wordt bepaald en dat de gedachteninhoud van de medemens als zodanig geen waarde heeft. Tegen zulke totalitaire tendensen is men filosofisch maar voldoende gewapend indien men de hele werkelijkheid, met inbegrip van de immateriële werkelijkheid, beschouwt.

De leden van NICOLAAS zien zich dus genoodzaakt om tegen de materialistische ‘wetenschappelijke’ ideologie, die onze cultuur domineert, gedetailleerd weerwerk bieden. Zij willen de immateriële kant van de werkelijkheid in rekening nemen.
Dit is een moeilijke, maar noodzakelijke klus.




De objectiviteit van het morele


Zoals men een blindgeborene niet kan duidelijk maken wat het zien van rood of blauw als belevenis inhoudt, zo kan men aan een moreel blinde niet uitleggen wat goed en kwaad betekent. De mens heeft het vermogen om het moreel goede van het moreel slechte te onderscheiden, ongeveer zoals hij rood van blauw kan onderscheiden.


Evenmin als het gezichtsvermogen is dit onderscheidingsvermogen bij de individuele mens volmaakt. Het vermogen tot waarnemen van het morele of de morele intuïtie, de kennis van goed en kwaad die de mens gegeven is, wordt ten dele verduisterd door de morele onvolkomenheid van het individu zelf. De individuele mens zal dus steeds meer de eigen morele onvolkomenheid onder ogen moeten zien en bekampen. Ook dit is geen populaire gedachte.


Dit belet niet dat het morele voor ons kan verschijnen als een objectief aspect van de werkelijkheid. Dit objectief karakter van het morele kan niet logisch afgeleid worden, maar kan worden waargenomen door nauwkeurig observeren hoe de inhoud van het goede voornemen bij de individuele mens tot stand komt. Wanneer we de moeite nemen om het ontstaan van een goed voornemen of van een morele intuïtie bij onszelf te observeren, kunnen we een eigenaardige ontdekking maken. Wij blijken bij de vorming van zo’n morele intuïtie actieve en tegelijk ontvangende partij te zijn. Juist omdat in de morele intuïtie iets verschijnt dat de subjectiviteit van onze persoon overstijgt, kan het goede bestaan.
Er is dus een morele bron, een gevende en inspirerende werkelijkheid die in onze cultuur wordt aangeduid met verschillende beelden, waaronder het beeld van Sint-Nicolaas.

De waarneming van het ontstaan van een goed voornemen bij onszelf leert tevens dat het moreel goede tegelijk objectief en situationeel is. We ontdekken dat het goede nooit uit een formeel systeem van algemene regels kan worden afgeleid en dat het altijd betrekking heeft op een concrete situatie. ‘Objectief goed’ betekent steeds ’objectief goed binnen een concrete situatie’. Daarom is het nodig in elke concrete situatie steeds opnieuw onderzoek te naar wat het goede in die omstandigheden is.


Het mysterie van de menselijke vrijheid hangt nauw samen met ons vermogen om morele intuïties te ontwikkelen. Enerzijds overstijgen we in deze intuïties onszelf: de morele kwaliteit van deze intuïties is objectief en hangt niet af van onze subjectieve persoon. Maar anderzijds zijn het toch ónze intuïties en zijn we nergens méér authentiek individueel dan wanneer we een morele intuïtie ontwikkelen en ernaar handelen. Het objectief en tegelijk intiem persoonlijk karakter van de morele intuïtie maakt mogelijk dat vrije mensen elkaar kunnen vinden in hun streven.


Om het kwade te doen, hoeft men geen intuïtie te ontwikkelen: het volstaat om algemene instincten en uiterlijke drijfveren te volgen. Bij het verrichten van het kwade stelt men geen individuele daad: men volgt aanleidingen en aandriften die buiten de eigenlijke individualiteitskern liggen.


Naarmate het menselijke handelen persoonlijker wordt, wordt het ook vrijer en moreler. Een vrije en strikt persoonlijke daad is tegelijk een moreel geïnspireerde daad. Het gaat hier over een waarheid die men niet abstract theoretisch kan afleiden, maar die men door eenvoudige maar volgehouden waarneming – met het denken als waarnemingsorgaan– bij zichzelf kan opsporen.


De leden van NICOLAAS willen een bijdrage leveren tot het onderzoek naar het moreel goede met betrekking tot de organisatie van de samenleving.




Naar een politieke en sociale kunst


De maatschappelijke werkelijkheid kan niet bestudeerd worden als bijvoorbeeld een chemische reactie. Bij maatschappelijke onderzoek zitten we mee ‘in de reageerbuis’. In het natuurwetenschappelijke experiment stelt de onderzoeker een vraag, de natuur antwoordt. Het maatschappelijk onderzoek verloopt veelal anders. De werkelijkheid stelt de vraag, en de onderzoeker moet het antwoord geven. Vrijblijvend maatschappelijk experimenteren is uitgesloten.


Er is nog een ander verschil tussen het natuurwetenschappelijk en het maatschappelijk onderzoek. De natuur straft verkeerde opvattingen onverbiddelijk af. Een brug die niet volgens de wetten van de mechanica wordt opgetrokken, stort in. We kunnen in de natuur geen valse natuurwetten invoeren. In de maatschappelijke werkelijkheid daarentegen kunnen we onvruchtbare ideeën wel vorm geven en een soort maatschappelijke schijnwerkelijkheid scheppen. De nefaste gevolgen blijken pas naderhand.


De maatschappelijke werkelijkheid is ook subtieler dan de natuurkundige realiteit. Doordat de maatschappelijke werkelijkheid voortdurend verandert, moet men niet alleen kijken naar wat reeds verwerkelijkt is, maar ook naar wat eraan komt, naar het streven dat reeds kiemt in de geesten.


De paradoxale situatie, waarbij men al doende op de vragen van de maatschappelijke werkelijkheid moet antwoorden en waarbij men al doende waarneemt, vereist de ontwikkeling van een politieke en sociale kunst. Alleen in de kunst wordt de tegenstelling tussen droom en daad, tussen materie en moraliteit, tussen realisme en idealisme, tussen spel en ernst overbrugd. In de kunst worden deze spanningen op een hoger plan opgelost door de activiteit van de individuele geest.


Vruchtbare maatschappelijke activiteiten zullen steeds meer de vorm van een moreel-sociaal kunstwerk moeten krijgen. Politieke en sociale acties kunnen niet meer uitgaan van het eigen gelijk. Zij moeten altijd een waarnemingskarakter hebben. Spanningen zullen opgelost worden in de politieke en sociale kunst door morele krachten, in de eerste plaats door de eerbied.


Veel precedenten of voorbeelden van deze politieke en sociale kunst zijn er niet. Wij zien deze kunst echter als een opdracht van deze tijd. NICOLAAS wil daarom een oproep zijn om ons te scholen in ’politieke en sociale kunst.’ Ook hier geldt het oude gezegde: het pad ontstaat door het te betreden.




Onder de hoede van Sint-Nicolaas


In vroegere tijden leefde, misschien sterker dan nu, het besef van de eigenlijke menselijke onmacht. Menselijke verenigingen plaatste zich onder de hoede van een inspirerende gestalte, meestal een heilige. De nieuwe vereniging plaatst zich onder de hoede van de geheimzinnige, goede geest van deze tijd: Sint-Nicolaas.
De vereniging draagt daarom de naam NICOLAAS.


Aan Sint-Nicolaas zijn twee geheimen verbonden. Het eerste geheim, dat we ontdekken tussen 7 en 9 jaar, is dat hij niet bestaat.Het tweede, veel indrukwekkender en veel ernstiger geheim, is dat hij wél bestaat. Deze ontdekking is misschien de belangrijkste gebeurtenis in het leven van een volwassen mens. De Sint-Nicolaas van de kinderen daalt af door de schoorsteen en stopt wat in het schoentje. In dit krachtige beeld schuilt een diepe werkelijkheid: we ontvangen hogere inspiraties voor het voltrekken van onze levenswandel.


In vele legendes van Sint-Nicolaas komt het thema van de drievoudigheid terug (de drie veldheren, de drie huwbare meisjes, de opwekking van de drie kinderen). Op iconen wordt Sint-Nicolaas vaak met drie gouden bollen afgebeeld.
Deze drievoudigheid drukt een belangrijke waarheid uit: het moreel goede verschijnt aan de moderne mens steeds onder de vorm van concrete intuïties die betrekking hebben op de drie grote idealen van de Franse revolutie, met name vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. De waarneming leert dat alles wat als moreel goed wordt gezien, betrekking heeft op de verwerkelijking, in een of andere concrete situatie, van een van deze drie idealen.
Maar vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid kunnen niet in absolute zin naast elkaar bestaan. Absolute vrijheid, absolute gelijkheid en absolute broederlijkheid zijn logisch en anderszins onverenigbaar. Gelijkschakeling in het denken leidt immers tot ontmenselijking; ongeremde vrijheid in het economische leven leidt tot uitbuiting. Ieder van de drie algemene idealen heeft een eigen domein, waar het van nature thuishoort


Vrijheid is het ideaal dat thuishoort op het vlak van het denkleven, de cultuur, de kunsten en de wetenschappen, kortom het geestesleven.
Gelijkheid tussen mensen is het ideaal, dat in de rechtssfeer zijn plaats heeft, namelijk daar waar mensen met hun ‘ik’ tegenover elkaar staan en door middel van afspraken een verhouding tot mekaar moeten vinden.
Het streven naar broederlijkheid hoort thuis in de sfeer van de economische zorg voor elkaar. Dit ideaal ligt in deze tijd ongetwijfeld het meest onder het stof. Het moet daar weer onderuit.


In deze tijd kan de mens maar ten volle mens zijn, wanneer hij de drie oeridealen bewust herkent.
De leden van NICOLAAS willen dan ook onbeschaamd idealen nastreven. De drie idealen kunnen slechts worden verwerkelijkt in de mate dat het geestesleven, het rechtsleven (de overheid) en het economische leven autonoom zijn.


De samenleving heeft een zelfstandig en vrij geestesleven broodnodig. Nieuwe ideeën en morele impulsen van de individuen zijn voedsel voor de samenleving.
Het kan bijvoorbeeld niet het doel van een algemeen vormend onderwijs zijn om de jonge mens in te passen in de bestaande samenleving. De staat en het economische leven wachten best af welke nieuwe inzichten en idealen de leden van iedere generatie meebrengen. Een algemeen onderwijs dat streeft naar gelijkschakeling of onmiddellijke economisch rendement leidt tot uitdroging van de morele en creatieve bron van de gemeenschap.


De staat kan maar een echte rechtsstaat zijn, indien hij zich beperkt tot het verzorgen van de rechtsgelijkheid tussen de burgers en indien hij zowel het geestesleven als het economisch leven autonomie toestaat. Een overheid die in de greep van het economische leven is terechtgekomen, kan niet waken over de rechtsgelijkheid tussen de burgers. Een staat die zich gaat mengen met het geestesleven en het individuele denken van de mensen, en op dat vlak gelijkheid nastreeft, verwordt tot een onderdrukkingsapparaat.


Ongebreidelde vrijheid in het economische leven leidt tot schokkende vormen van uitbuiting en onderdrukking.
De mensheid staat voor de zware en dringende opgave om het ideaal van broederlijkheid in het economische leven vorm te geven. We moeten zoeken naar nieuwe vormen van eigendomsverhoudingen die ruimte laten voor de scheppende economische activiteit van individuen of groepen, maar die toch beletten dat kapitaal een machtsmiddel wordt waardoor de arbeid van de ene mens aan de willekeur van de andere mens wordt onderworpen.


De leden van NICOLAAS willen een bijdrage leveren tot het juiste kennen van elk van de drie verschillende hogergenoemde domeinen en deze bevrijden van de onrechtmatige invloeden uit de andere domeinen.




Individuele verantwoordelijkheid


Het menselijke individu emancipeert zich steeds verder. In het begin van de geschiedenis heersten koningen-halfgoden met onbeperkte macht: farao’s, caesars, enz. In de middeleeuwen regeerde een beperkte bevolkingsgroep (de aristocratie). In de moderne tijd verscheen langzamerhand de door alle burgers verkozen politieke leider.


Deze tendens, waarbij de afstand tussen burger en gezagdrager steeds kleiner wordt, zet zich verder. Ook de verkozen politieke machthebber zal verdwijnen. Hij zal worden opgevolgd door de verkozen uitvoerder van de direct uitgesproken volkswil.


De huidige politieke wereld handelt alsof de parlementaire democratie, waarbij de mensen verplicht worden om hun oordeelsvermogen uit te leveren aan een verkozene, een soort eindpunt is. In werkelijkheid ontgroeit de moderne mens reeds volop de vertegenwoordigende democratie en wenst hij zich in toenemende mate zelf een oordeel te vormen over concrete maatschappelijke aangelegenheden.


De tendens tot toenemende emancipatie van het individu vergt een politieke structuur waarbinnen de collectieve overtuiging, uitgedrukt in bij voorbeeld een partijprogramma, dat vaak eenzijdig wordt opgelegd vanuit de partijleiding, verdwijnt ten voordele van het individueel verworven inzicht, een structuur waarbij het initiatief van de leiders vervangen wordt door het individueel initiatief.
De leden van NICOLAAS willen de individuele verantwoordelijkheid ten volle erkennen.


Een lid van NICOLAAS is iemand die de werking van NICOLAAS als zinvol ervaart, de doelstelling onderschrijft, daarover geïnformeerd wenst te worden en denkend en/of handelend meewerkt.
Elk lid van de vereniging wordt gezien als een zelfstandig ‘ik’ dat zijn eigen denken niet wil afstaan aan NICOLAAS. Hieruit vloeit voort dat er binnen NICOLAAS geen hiërarchische structuren bestaan en dat er een groot appel wordt gedaan op de individuele verantwoordelijkheid van de leden.


NICOLAAS wil een bodem vormen waarin verschillende werk- of studiegroepen kunnen ontstaan, telkens en alleen op basis van initiatief van een of meer leden. Alle initiatief gaat immers uit van de individuele leden van NICOLAAS.
NICOLAAS kan leden niet vertegenwoordigen of binden: enkel een individu heeft een standpunt of een gezichtspunt.
In dezelfde zin kunnen leden geen vertegenwoordigers zijn van NICOLAAS. Een individu kan slechts zichzelf vertegenwoordigen. Als iemand aan een lid van NICOLAAS vraagt: “Wat denkt NICOLAAS van X, Y of Z?” is het antwoord: “NICOLAAS denkt hier niets over, maar mijn standpunt is…” Daarom is NICOLAAS een feitelijke vereniging.


Er werd wel een vereniging zonder winstoogmerk opgericht, Het Zand, die als taak heeft “de vereniging NICOLAAS te ondersteunen en de continuïteit ervan te verzorgen.” Het Zand verzorgt de boekhouding, is uitgever van de eventuele publikaties van NICOLAAS , … en staat in het algemeen ten dienste van alle leden en werkgroepen van NICOLAAS.
Het Zand kan geen enkele invloed uitoefenen op de inhoudelijke werking van NICOLAAS. De statuten werden in deze zin opgesteld.


NICOLAAS werd opgericht door en onder impuls van volgende individuen: Jos Verhulst, Pieter Vereertbrugghen, Helene Jacobs, Werner Govaerts, Hans Annoot, Bert Lambrechts, Tony Peleman, Remy Van den Bossche, Christine Gruwez, Ronald Heuninck, Rik Fagard, Annelies Sysmans, Miek Sysmans en Hilde Segers.




Lid of sympathisant worden van NICOLAAS


Om oplossingen voor politieke en sociale vraagstukken te zoeken en vorm te geven hebben mensen elkaar nodig. De onvolkomenheid van het eigen morele waarnemingsvermogen heeft de correctie van de anderen nodig. Om een maatschappelijk initiatief gestalte te kunnen geven, is het samenspel van de wederzijdse talenten vereist. Een vereniging is dus onmisbaar.


Maar vrije individuen willen zich in deze tijd steeds minder verenigen op basis van een gemeenschappelijke leer of een programma, waaraan men zich onderwerpt en waaraan men het eigen denken ondergeschikt maakt. De vrije mens eist van zijn medemens geen overeenstemming, evenmin aanvaardt hij dwang tegenover zijn eigen denken. Maar hij verwacht dat tussen vrije individuen een overeenstemming kan gevonden worden, omdat hij de realiteit van de morele bron in de mens heeft waargenomen.
Enkel de waarneming van het onstoffelijk karakter van het denken en de daaruit voortvloeiende relevantie van het waarheidsbegrip, en de waarneming van het menselijk vermogen om het objectief goede te onderscheiden, kunnen het gemeenschappelijk uitgangspunt van de leden van NICOLAAS zijn. Niet een leer of een programma, maar de waarneming van genoemde onstoffelijke werkelijkheden biedt een grond om een vruchtbare gezondheid jegens elkaar te ontwikkelen en om de wil te bundelen ter verwerkelijking van de gemeenschappelijk verworven inzichten.
Een sterk verbindende kracht kan ontstaan tussen mensen die elkaar leren waarnemen als weliswaar zeer onvolmaakte, maar toch moreel scheppende wezens.
Wie zich in dit uitgangspunt kan terugvinden, is vrij om tot NICOLAAS toe te treden.


De werkzaamheden binnen NICOLAAS kunnen zich in uiteenlopende richtingen ontplooien, gaande van studie tot politieke actie of initiatieven doe direct op een concrete sociale nood ingaan; kortom, alle initiatieven die tot oplossing van de maatschappelijke vraagstukken van deze tijd kunnen bijdragen en daarom andere strevende individuen aanbelangen.
NICOLAAS neemt zelf geen initiatieven; zij wil enkel de activiteit van de individuen bevorderen door ze met elkaar te verbinden, en initiatieven van bepaalde leden op kritieke momenten vanuit een bredere groep te steunen. De leden van NICOLAAS zijn voor elkaar een sociaal waarnemingsorgaan, schenken elkaar mogelijkheden tot politieke en sociale handeling.
Vóór alles zal NICOLAAS het huis van een ingesteldheid moeten worden, waarbinnen mensen elkaar als bron voor morele intuïtie volkomen ernstig nemen.


Het richtbedrag voor het lidmaatschap is 5000 fr per jaar. Dit bedrag werd vanuit de werkingsbehoeften van NICOLAAS ingeschat. Het financiële mag echter geen drempel tot lidmaatschap zijn. In deze zin is de lidmaatschapbijdrage vrij, echter met een minimum bijdrage van 1000fr.
Ieder lid kan deelnemen aan een werkgroep, kan zelf een werkgroep oprichten en wordt hierdoor ten volle ondersteund door Het Zand (zie vorige pagina). Tevens ontvangt elk lid automatisch de nieuwsbrief Klaas’ evenals de interne berichten.


Door sympathisant te worden (bijdrage minstens 500 fr), is het mogelijk NICOLAAS te steunen zonder actief deel te nemen aan het sociale en politieke werk. Sympathisanten ontvangen de nieuwsbrief Klaas’.


(nvdr.: ik heb tegenover de oorspronkelijke tekst één tekstwijziging doorgevoerd. De naam van een van de stichtende leden was fout geschreven).




Nog even dit

Het manifest uit 1991 kan je downloaden als pdf: NICOLAAS, de vereniging voor ‘politieke en sociale kunst’.


NICOLAAS was ook uitgever van twee tijdschriften.
Klaas’, het tijdschrift van NICOLAAS met meer beschouwende artikels.
Het tijdschrift bevatte meestal zestien pagina's. Het eerste nummer verscheen in mei 1992. Het laatste nummer verscheen in februari 2003. Er werden 18 nummers verspreid.

Daarnaast bracht NICOLAAS ook een kleiner tijdschrift uit, Klaas’ Commentaar. Dat bevatte, zoals de naam al aangeeft, korte commentaren en gedachten over de actualiteit.
Meestal telde het vier pagina's. Het eerste nummer verscheen in september 1992. Het laatste in december 2002. Er werden 142 nummers geproduceerd.