Door Lea Winkeler
EERST EVEN uitleggen. Body of Work is een bescheiden en licht specialistisch festival dat de voorbije lente voor de tweede keer plaatsvond onder de vleugels van het STUK. Het geeft een podium aan ‘danserfgoed’: hoe kan hedendaagse dans, die vluchtigste aller kunstvormen, toch vastgehouden en doorgegeven worden; hoe kan het erfgoed worden voor komende generaties? Op het programma: dansvoorstellingen natuurlijk, workshops, lezingen, en een tentoonstelling opgebouwd uit herinneringen.
Wat was jouw eerste kennismaking met hedendaagse dans? Welke voorstelling bleek onvergetelijk? Welke voorwerpen heb je ervan bewaard? Tickets, foto’s, programmafoldertjes, affiches: bij de toeschouwers van toen bleek genoeg ‘erfgoed’ voorradig om hun persoonlijke herinneringen te ondersteunen en er een tentoonstelling mee uit te werken. Archiefmateriaal verspreid over het toenmalige publiek en voor even weer samengebracht en zichtbaar gemaakt.
Mijn eigen dansherinneringen vormden geen grondstof voor deze Body of Work-expo. Nee, niet jammer! Want de stemmen in de tentoonstelling bleken verrassend herkenbaar (ook míjn eerste dansvoorstelling ooit was Béjart!) en schetsten samen een periode, een bepaalde omgeving en wellicht ook een bepaald milieu. Ik ontdekte er een nieuwe vorm van geschiedschrijving door. Mijn verhaal eraan toe te voegen hoefde niet: dit was representatief genoeg.

Toen viel mijn oog op de tickets van Groupe Emile Dubois, Klapstuk 1985. Of beter: ik bleef haperen aan de nietjes waarmee de eigenlijke tickets vastgehecht waren aan de briefjes met de zetelnummers van de stadsschouwburg. Dat kon je niet zien op de tentoonstelling omdat het ene papiertje het andere bedekt, maar ik weet hoe het zit. Die nietjes zijn immers oude bekenden.
In 1983, tijdens het eerste Klapstuk dansfestival, was ik verantwoordelijk voor de ticketverkoop. We maakten onze toegangskaartjes zelf, met de kopieermachine op gekleurd licht karton, daarna kregen ze elk een nummer met een stempel. Zitplaatsen waren overal vrij behalve in de stadsschouwburg, dus moesten we voor dié voorstellingen onze eigen tickets ook nog nieten aan de zetelnummers van die schouwburg. In 1983 deden we dat op het moment van verkoop en dat bleek een vergissing: niet foutenvrij én tijdrovend (ik herinner me nog levendig de lange rijen wachtenden – wie had ook zo’n stormloop verwacht voor een dánsfestival?). Niet voor herhaling vatbaar, was mijn conclusie. In editie 1985 zouden al die tickets en zetelnummers (het waren er een paar duizend) vooraf aan mekaar geniet worden. Met de hulp van anderen – ik herinner me een lange nietjesavond en -nacht bij vrienden die op de Schreursvest woonden – maar vooral toch door mezelf. Het was een marathon, maar de problemen van 1983 herhaalden zich niet.
Ik ben nogal gehecht (sic!) aan die herinnering. Ze komt vaak bovendrijven als ik terugdenk aan die tijd. Van een paar duizend nietjes straalt nochtans weinig heroïek af. Het was ook geen uitzonderlijke prestatie, noch voor mezelf, noch voor de mensen die me omringden. Daar en dan, in 1983-85, was het immers de gewoonste zaak om de dingen te doen die moesten gebeuren om tot stand te brengen wat je belangrijk achtte. Je nam de risico’s erbij: dat je kunde of ervaring misschien tekort schoot, met geblunder en crises tot gevolg. Dat het fysiek en mentaal meer van je vergde dan goed voor je was. Dat je er geld bij inschoot. Engagement, heette dat toen, het was iets gewoons en het lukte omdat je kon rekenen op anderen: de bijstand van wie samen met jou aan de kar duwde, de solidariteit. Veel berekening circuleerde er niet, noch materieel, noch emotioneel. Wel veel discussie, gezoek, trial & error, graven in de diepte, leren en groeien. Ook in die lange avond en nacht dat ik nietjes in tickets mepte, wist ik me door dat alles gedragen.
De paar jonge mensen die ik ken en die zo oud zijn als ik toen, suggereren dat dat nu niet meer ‘kan’. De vrijheid die wij ons veroorloofden zou nu ingeperkt zijn door een overvloed aan ‘beschermende’ voorschriften – vermoedelijk klopt dat. De druk en de reflex om te denken in economische termen zijn enorm toegenomen. Het gaat continu om efficiëntie, opbrengst, statusopbouw, erkenning. Een gesprek over hoe iets bijdraagt aan het mensdom en de samenleving is een rariteit geworden, en loopt al te vaak vast in doof geruzie. Of in een competitie omtrent opbrengst, efficiëntie, status, erkenning. ‘Nemen’ en ‘krijgen’ voeren de boventoon, over ‘geven’ hoor je weinig. Vrijwilligers zonder vergoeding: een bedreigde soort, zoniet uitgestorven.
Klink ik pessimistisch? Welnee, dit is niet mijn stem. Dit is de luidste echo van deze tijd, die ik beklaag als het waar is dat hij alsmaar minder ruimte laat voor onderzoek naar wat een mens zoal zou kunnen zijn. Ik wens iedere twintigjarige de omstandigheden waarin ik terechtkwam: een toekomst met een beperkt aantal voorschriften. Dagen arm in centen, maar onuitputtelijk rijk in ervaringen, zelfstandigheid, vriendschap en solidariteit in alle, vaak onverwachte richtingen. Sinds mijn weerzien met die nietjes is het wel eens in me opgekomen: het danserfgoed waarover sprake, kwam tot stand tegen die achtergrond en misschien is het, naast dat danserfgoed zelf, ook belangrijk om in deze nieuwe, harde eeuw getuigenis af te leggen van wat toen kon, wat toen gedaan werd, wat toen als vanzelfsprekend gold en ook wérkte.
En plots blijken die nietjes toch niet zo nietig. Dansen doen ze niet, maar erfgoed: wees daar maar zeker van.
Body of Work: zie STUK.BE