Pico della Mirandola
‘L’Enfance de Pic de la Mirandole’ (1842) door Paul Delaroche in Musée des Beaux-Arts (Nantes)



• augustus 1994 •



Recht op onvoltooidheid


Rede over de waardigheid van de mens







Door Christine Gruwez


WAT IS AAN ALLE MENSEN GELIJK? Wat hebben alle mensen gemeenschappelijk? Op basis waarvan zouden hun waardigheid en hun daaruit voortvloeiende mensenrechten kunnen worden gestaafd? In 1487 kwam een drieëntwintigjarige tot het inzicht dat gelijkheid een niet invulbaar begrip is. Men kan niet gelijk worden genoemd omdat men deze of gene kenmerken, rang of status bezit. De waardigheid van de mens ligt vóór datgene wat hij in zijn menszijn actualiseert, vóór het man of vrouw zijn, vóór religie, stand of ras. Ze ligt precies daarin dat ze kan worden ingevuld.


De redevoering waarin deze jongeman zijn ontdekking aan de wereld wilde meedelen, heeft hij nooit kunnen uitspreken. Het werk waar deze rede de inleiding toe was, werd door de Inquisitie veroordeeld. Nog steeds is het moeilijk te verkrijgen en dan nog enkel in het Latijn. De ideeën die in deze rede zijn opgenomen, zijn zo radicaal en oorspronkelijk dat ze waard zijn om in het licht van de actuele problematiek te worden ontsloten. Een her-denken in de letterlijke betekenis van het woord.


Op 17 november e.k. (nvpv: dit is 1994) zal het precies vijfhonderd jaar geleden zijn dat te Firenze Giovanni Pico, graaf van Mirandola en Concordia, overleed. Hij was 31 jaar oud. Niets had deze abrupte dood kunnen doen vermoeden. Hij was midden november plotseling door een hevige koorts overvallen. Bijgestaan door zijn vrienden nam hij bij volle bewustzijn afscheid van het leven. Als devies had hij het ‘laetus in praesens’ gekozen: het beoefenen van de vreugde in het tegenwoordige moment. Nu ging hij heen in vrede met zichzelf en met zijn lot. Later zou blijken dat zijn secretaris, die hem al die jaren had vergezeld en aan wie hij zijn bezittingen had toevertrouwd, hem had vergiftigd. Uit zijn bekentenissen bleek dat hij in hoge mate ongerust was geworden over het feit dat Giovanni Pico één voor één zijn bezittingen aan het wegschenken was. Niets was echter de graaf zo vreemd als wrok en zoeken naar vergelding. Men kan met zekerheid zeggen dat hij zijn secretaris vergiffenis zou hebben geschonken. Door oorlogsomstandigheden – de Franse legers waren in de stad – ging zijn overlijden haast ongemerkt voorbij. Enkel de dominicanermonnik Savonarola hield een opgemerkte rede. Een maand later werd zijn sarcofaag bijgezet in de San Marco-kerk. Nu rust hij daar naast de kort tevoren overleden Angelo Poliziano, zijn vriend en hofdichter van de Medici.


Reeds tijdens zijn leven werd Giovanni Pico della Mirandola als ‘Phenix van zijn tijd’ geroemd. Zijn kennis besloeg alle terreinen van de toenmalige wetenschap. Hij beheerste grondig een twintigtal talen, waaronder het Syrisch en het Arabisch, een nieuwigheid in die jaren. Zijn fortuin – hij was de jongste in een adellijk geslacht, afstammend uit Noord-Oost-Italië – had hij in hoofdzaak aangewend om privé-leraren in dienst te nemen (onder hen de befaamde Elia del Medigo, averroïst en groot kenner van de Joodse Kabbala). Op het ogenblik van zijn dood werkte hij aan een magnum opus, een uit zeven delen bestaand werk dat de verdediging van het christendom tegen diens vijanden wou opnemen.


Wat hij onder ‘christendom’ verstaat, wordt meteen duidelijk wanneer men verneemt dat in zijn ogen de allergrootste vijand van dit christendom de Kerk is als instituut en verder de vooroordelen, in de mate dat zij een onbevangen blik op de werkelijkheid onmogelijk maken. Voor hem is er geen leer of visie waarin ook niet iets van de universele waarheid kan vervat liggen en het christendom is in essentie synoniem voor universaliteit.


Twee keren heeft Pico zijn tijdgenoten ook hartsgrondig verbaasd.

Twee keren heeft hij, naast alle bewondering en ontzag die hij opriep, zijn tijdgenoten ook hartsgrondig verbaasd. De eerste keer was hij amper zeventien, maar reeds afgestudeerd aan meerdere universiteiten (waaronder Bologna en Padua) met de titel van magister, wat hem in staat stelde aan deze instellingen te doceren, indien hij dat had gewenst. Hij reed met vrienden en dienaren over een kleine landweg ergens in de buurt van Ferrara. Ze kwamen voorbij een gehucht en geheel onverwacht voor het gezelschap wierp zich tijdens het voorbijrijden een jonge vrouw op het paard van Giovanni Pico. En in een oogwenk was hij met haar uit het gezicht verdwenen. Romantische vlucht? Ontvoering? Nadien bleek dat het ging om een verre verwante van het huis van de Medici. Nooit zou hij er met een woord over reppen.


De tweede keer was van een ander gehalte. Hij was toen drieëntwintig en begaf zich naar Rome met het vaste plan vanuit de gehele wereld geleerden bijeen te roepen voor een congres waarop alle mogelijke denkbare standpunten inzake de grote stellingen van filosofie en theologie zouden kunnen worden uitgesproken. Om dit voor te bereiden had hij een soort werkdocument klaargemaakt: de Conclusiones. Daarin stonden negenhonderd theses, verdeeld over thema’s en filosofische scholen. Dit moest de basis vormen voor de grote dialoog die daar ging plaatsvinden en waarvoor hij zichzelf de rol van bemiddelaar had toebedeeld. Voor deze gelegenheid hield hij ook een redevoering klaar: de befaamde ‘oratio over de waardigheid van de mens’.


Het hoeft geen betoog dat dit congres nooit heeft kunnen plaatsvinden. De Inquisitie werd ingeschakeld en Giovanni Pico ontsnapte ternauwernood aan een gevangenname en kon slechts dankzij de hulp van de Franse koning een veilig onderkomen vinden in het Firenze van de Medici. Maar de Conclusiones werden verboden en verbrand. De nooit uitgesproken rede werd pas na zijn dood ontdekt.


Een groot wonder!


De rede begint met de vraag welke plaats de mens in het universum, in het geheel van de schepping is toebedeeld. Uiteraard is deze vraagstelling niet nieuw. In de middeleeuwen was deze vraag het uitgangspunt voor tal van beschouwingen en geschriften. Nieuw is echter dat voor het eerst het antwoord niet in een statisch maar in een dynamisch perspectief wordt geplaatst. De mens is niet langer een spiegel die de schoonheid van de schepping reflecteert, de eigen plaats daarbinnen inbegrepen, maar hij wordt nu tot diegene die zelf die plaats daarbinnenin kan bepalen. Wat hem bij de schepping is toebedeeld geworden, is niet een vast omlijnd statuut, maar een bron van mogelijkheden. De waardigheid is door de Schepper aan de mens geschonken. Maar het is een ‘leeg’ geschenk. Beter gezegd, het is een geschenk dat nog tot geschenk moet worden. Voorwaarde daartoe is dat iedere mens afzonderlijk met deze gave iets doet.


“Een groot wonder, o Asklepius, is de mens!” Met deze uitroep begint de redevoering. Maar indien de mens een dergelijk wonder is, waarop berust dit dan? Gaandeweg wordt het duidelijk dat dit ‘miraculeuze van het mens-zijn’ hierop berust, dat hij als enige onder de schepselen géén plaats heeft toebedeeld gekregen. Als enige onder alle creaturen werd hij niet met eigenschappen begiftigd. Het komt hem en hem alleen toe zélf de eigen plaats te bepalen, zélf de geëigende vaardigheden tot ontwikkeling te brengen. Dit en enkel dit is het fundament voor zijn waardigheid, ongeacht welk de plaats is die hij kiest, of de mogelijkheden die hij in zichzelf tot ontplooiing brengt.


Het blijkt dan dat in een universum waarin alles zijn plaats heeft toegewezen gekregen, de mens het enige wezen is aan wie het initiatief is toevertrouwd zélf deze plaats te bepalen. Zo wordt hij tot beeldhouwer van zichzelf en tegelijkertijd is hij ook het materiaal voor zijn beeldhouwwerk. Engelen noch dieren beschikken over deze mogelijkheid. Bij deze rangorden van wezens is het zo gesteld dat hun wezen hun plaats op de wereld bepaalt. Bij de mens is het net andersom: uit de door hemzelf bepaalde plaats vloeit zijn wezen voort.


Op de mogelijkheid te worden wie hij wil zijn, berust de waardigheid van de mens.

“Wij hebben u, o mens, geen vaste woonplaats, geen eigen gestalte en geen enkele eigenschap verleend.” Aldus spreekt de Bouwmeester van het Al de eerste mens toe. “Opdat gij uw woonplaats, gestalte en gaven geheel zelf zoudt kunnen kiezen, verwerven en bezitten, in overeenkomst met uw wens en besluit. Aan u komt het toe uw natuur, zonder één enkele bepaling of beperking, overeenkomstig het vrije oordeelsvermogen dat ik u ter beschikking heb gesteld, zelf te bepalen.” En de mens antwoordt op eenzelfde plechtige, feestelijke toon: “Hoe onmetelijk en bewonderenswaardig is het geluk van de mens! Aan hem is het geschonken diegene te worden wie hij wil zijn.”


Op de mogelijkheid te worden wie hij wil zijn, berust de waardigheid van de mens. Daarmee is echter geenszins gezegd wie hij is. Het is echter niet nodig te weten welke actualisatie op deze vrije plek zal verschijnen om tot die waardigheid te kunnen besluiten. De waardigheid bevindt zich reeds vooraf. Ze ligt verankerd in dit zelf kunnen bepalen van de eigen plaats, in dit scheppend kunnen voortbrengen van het eigen wezen.


Onderweg


Een grondslag voor de waardigheid van de mens is dan ook het liber arbitrium, het vermogen in vrijheid te oordelen. Maar ook deze vrijheid is geen toegevoegde waarde, een externe factor die kan worden geschonken of onthouden. Nee, de vrijheid is een permanent te realiseren goed. Het is een weg die de mens kan inslaan, een itinerarium dat voert naar het hoogste waartoe hij als wezen in staat is: zichzelf te verwerkelijken. Aan het einde van die weg, op de top ervan, ervaart de mens het goddelijke, echter niet als dat geheel andere, dat hem van buitenaf tegemoet treedt, maar als datgene wat in hemzelf godgelijkend is. Dit is allerminst een unio mystica. De individualiteit gaat niet op in een ander wezen, maar wordt juist versterkt. Hoe krachtiger het individuele zelfbewustzijn, hoe duidelijker de herkenning van het godgelijkende principe in ieder van ons.


De vrijheid is een permanent te realiseren goed.

Het dagen van dit godgelijkende kan slechts plaatsvinden wanneer de mens daartoe de eerste stap zet. Het initiatief ligt bij hem. Hier ligt de omkering van het scholastieke principe ‘dat het handelen uit het wezen voortvloeit’. Het is het wezen dat uit het handelen voortvloeit. En eens te meer berust de waardigheid van iedere mens op die mogelijkheid tot handelen, waardoor hij zichzelf kan actualiseren. De waardigheid is dus geen slotsom, geen resultaat; de waardigheid is een begin, een uitgangspunt. Daarachter ligt een open veld van mogelijkheden.


Op dit beginpunt bevindt zich elke mens in dezelfde situatie. Hij is gelijk omdat hij de kans krijgt geboden zichzelf te realiseren. Maar deze zelfrealisatie, wanneer ze daadwerkelijk wordt voltrokken, kan tot geen ander resultaat leiden dan dat eenieder verschillend is.


Geheel in de visie van zijn tijd laat Pico della Mirandola de beweging tussen beginpunt en bestemming doorheen drie trappen verlopen die hij benoemt met termen uit de traditionele filosofie: de natuurfilosofie, de ethiek en de dialectica. De natuurfilosofie verleent inzicht in de wetmatigheden van de natuur. Daardoor kan de mens zich uit de natuur bevrijden. De ethiek verleent hem inzicht in de menselijke natuur: daardoor kan hij zich uit het spel van passies en begeerten losmaken. De dialectiek tenslotte leert hem het kennende deel van de eigen ziel te doorgronden en te onderscheiden van de andere delen van de ziel. Daardoor kan hij zich richten op en dialogeren met wat in hemzelf van goddelijke geaardheid is.


Pax philosophica


In het tweede gedeelte van zijn redevoering bespreekt Giovanni Pico met een verrassende openhartigheid zijn project dat op die inleiding had moeten volgen: de grote ‘disputatio’ waarop alle mogelijke leerstellingen van de toenmalige bekende wereld zouden kunnen worden ten gehore gebracht. Het getuigt voor hem van enggeestigheid (dit woord is in het Latijn verwant met het woord ‘angst’) zich op te houden “binnen de begrenzing van de eigen zuilenhal”. Pas in de mate dat men zich vertrouwd heeft gemaakt met de mogelijke andere wegen, wordt de eigen weg daadwerkelijk tot eigen weg. De waarheid is te groot en té immens opdat één enkele school of één enkele gedachtenrichting ze zou kunnen omspannen. Waar hij ook staat, iedere mens kan aan de waarheid participeren, zoals aan een gesprek. In zijn onderweg-zijn begeeft hij zich in de richting van de waarheid, zoals ook in de eigen biografie hij zich beweegt in de richting van zichzelf.


De waarheid is te groot en té immens opdat één enkele school […] ze zou kunnen omspannen.

De waarheid is een verblindend licht, schrijft Giovanni Pico in navolging van Plato. Dit verblindende licht ontmoet in iedere denker en denkrichting een ‘weerstand’ van een verschillende brekingsgraad. Zoals ook het licht in een mozaïek in tal van verschillende graden van ‘densiteit’ breekt en zo de kleur reveleert, zo ook het licht van de waarheid.


Door de unieke positie van elk mens afzonderlijk in het geheel van de schepping ontstaan al deze verschillende wezens- en zielegeaardheden. Onderweg naar de waarheid, daarmede in permanente dialoog, breekt het licht binnen in iedere ziel, zoals de zon die uit de diepten van het duister helder begint op te gaan. En alhoewel het zonlicht een en hetzelfde is, is dit beginnend glanzen in de ziel telkens anders ‘gekleurd’. Wie de eigen kleur voor de totaliteit zou houden, heeft nog geen inzicht in het wezen van de kleur en haar verhouding tot het licht.


Ook de disputatio zelf kan als een soort ‘slijpsteen’ worden gezien, waarin al deze facetten kunnen worden geslepen om zo steeds nieuwe aspecten van het licht zichtbaar te maken. Vanuit dit gezichtspunt zijn er geen overwinnaars, noch verliezers, maar wordt in dit onderweg-zijn naar de waarheid mogelijk iets ‘gewonnen’. Aldus heeft iedere school iets eigens, iets wat men bij de andere niet aantreft. Zelfs scholen die de waarheid opzettelijk zouden willen verduisteren, krijgen geen kans, want ze doven niet het licht, maar de glans van de eigen ‘reflectie’. (Zoals ook de wind, die het vuur wil doven, het alleen maar aanwakkert, zegt Pico.)


Rondleiding


Hij neemt nu zijn toehoorders mee in een grote rondleiding doorheen de vele filosofische scholen die hij voorheen reeds met een eigen bezoek heeft vereerd. Zijn levendige geest, die bij iedere gedachte die hij ontvangt deze met de stempel van de eigen persoonlijkheid weet te beantwoorden, treedt daarbij heel sterk naar voor.


Een hoofdthema is de ‘concordia’ tussen Plato en Aristoteles, een thema dat ten nauwste aan het hart van zijn tijdgenoten lag. (Een tikkeltje spottend noemden zijn vrienden hem de princeps concordiae, de prins van de eendracht, zoals hij dit in zijn adellijke titel voerde.) Door velen werd deze overeenstemming vermoed, door niemand echter overtuigend bewezen. Overeenstemming is overigens een minder geschikte term. De beide stemmen van Plato en Aristoteles worden nog wel als afzonderlijke stemmen gehoord, maar in een harmonische tweeklank. Dit is althans het opzet van Giovanni Pico. Hij zal dit echter ook zelf, door zijn vroegtijdige dood, niet meer kunnen uitwerken. Zijn groots gepland werk, de ‘Symphonia’ van Plato en Aristoteles, zal hij niet meer kunnen schrijven. Het blijft bij een voorontwerp, dat hij op vraag van Poliziano neerschrijft, nadat hijzelf een dispuut tussen Poliziano en Lorenzo de Medicis in de Academie te Careggi heeft bijgewoond. Dit kleine geschrift, ‘De ente et uno’ (Over het zijn en het Ene), is niettemin van historische betekenis, in het debat dat in 15de en 16de eeuw daarrond werd gevoerd.


Na deze tweede rondleiding met als thema de vrede en de harmonie – de eerste rondleiding had betrekking op de waardigheid van de mens – meent Pico reeds voldoende de toon te hebben aangegeven voor de daaropvolgende disputatio. Uit dit gevecht, waarvoor hij zich nu hoopvol opmaakt, kan volgens hem de waarheid, maar zoals ze in ieder mens zich reflecteert, als overwinnares tevoorschijn komen. Hoe groter de verscheidenheid waardoor ze wordt vertegenwoordigd, hoe sterker haar manifestatie.


Deze [zelfbepaalde] plaats zegt iets over mijn onderweg-zijn naar de waarheid.

De tolerantie die dit vraagt – namelijk het actief kunnen meebewegen met andermans gesprekken met de waarheid, zonder het verlies van het eigen gesprek – is niet mogelijk zonder Pico’s begin: de unieke plaats, de zelfbestemming van de mens, die zijn waardigheid uitmaakt. Maar precies door die mogelijkheid tot zelfbestemming zijn zovele verschillen en andersgeaardheden te verklaren. Ook de zelfbepaalde positie is slechts één onder de talloze mogelijkheden en garant voor de vrijheid. Deze plaats zegt iets over mijn onderweg-zijn naar de waarheid, de ‘kleur die ik beken’ iets over de weerstandsgraad die ik tegenover het inbrekende licht kan opwerpen. En deze is een voortdurende groei en ontwikkeling, zoals ook deze van de medemens.


Epiloog


De eigenlijke tegenstander van Giovanni Pico in het dramatische verloop van de Conclusiones en waardoor ook de Oratio nooit werd uitgesproken, was Pedro Garcia, de latere bisschop van Barcelona. Deze was in 1484, wanneer Giovanni Pico te Rome aankwam om zijn plan te verwezenlijken, bibliothecaris van de Vaticaanse bibliotheek en magister van de Sixtijnse kapel. Innocentius VIII belastte hem met het onderzoek naar de mogelijke ketterse inhoud van sommige van de Conclusiones.


Bij een eerste onderzoek werden er dertien dergelijke gevonden, alle uit het deel ‘volgens de eigen mening’. Pico verdedigde hierin Origines, die in de derde eeuw na Christus van ketterij werd beschuldigd. Een van zijn ‘dwalingen’ was het vertrouwen dat door de genade van Christus alle zielen konden worden gered. Dit was een visie die Pico met hem deelde, met de conclusio dat “de zonden, aangezien ze in de tijd werden begaan, niet een straf konden verdienen die eeuwig was”. Andere veroordeelde stellingen hadden betrekking op de wonderen van Christus, “die ook door de Kabbala en de natuurlijke magie kunnen worden verklaard” en op de “vrijheid inzake geloof”. Dit laatste had Pico nog met klem in zijn Apologie verdedigd.


In een latere uitgave publiceerde Pedro Garcia zijn weerlegging van Pico’s stellingen, in een vorm die aan de Conclusiones doet denken. Een van deze beweringen luidt: “Geen mens, hoe zuiver en deugdzaam ook, kan op voldoende en waardige wijze de eigen zonde inlossen.” Niet enkel het denken, maar de gehele leefwijze van Giovanni Pico della Mirandola, kan als een antwoord hierop worden begrepen.



Nog even dit


Christine Gruwez, Herinneringen aan de toekomst, 2021, Via Libra, isbn 9789077611364.
Te verkrijgen via Barbóék en de betere boekhandels.
Ik heb een paar exemplaren die ik mag wegschenken. Een mailtje naar het Verzet is voldoende.



Pico Boek

Er bestaat een uitstekende Nederlandse vertaling van de Conclusiones.
G. Pico della Mirandola & J. Papy, Rede over de menselijke waardigheid, 2008, Historische Uitgeverij, ISBN 9789065544520
Te verkrijgen via Barbóék en de betere boekhandels.