"Herinneringen zijn verhalen. Verzin er een waarmee je kunt leven.” – The Chronology of Water, 2025.

 

Voor Christine Gruwez

 

IN THE CHRONOLOGY OF WATER, de indrukwekkende debuutfilm van Kristen Stewart, klinkt een zin die blijft hangen, als een zachte maar meedogenloze waarheid: “Herinneringen zijn verhalen. Verzin er een waarmee je kunt leven.”

De hoofdfiguur Yuknavitch — een schrijfster die haar traumatische leven probeert te genezen door het te herschrijven — zegt het bijna terloops. Maar de zin raakt iets wezenlijks. Herinneringen zijn geen archiefstukken. Ze zijn verhalen. 

Dat is het verschil tussen verleden en geschiedenis. Het verleden is alles wat gebeurd is. Geschiedenis is wat we ermee doen: een poging om er lijn en betekenis in te brengen. Geschiedenis is dus altijd een vertelling.

We vertellen onszelf een leven.

We vertellen onszelf een leven. Een eenvoudige analogie: ons leven bestaat uit vele filmbeelden, en het narratief ontstaat in de montage. De manier waarop scènes worden geselecteerd en verbonden, bepaalt de betekenis van het geheel. Verhalen zijn de beelden die we tonen; het narratief is wat daaruit ontstaat.

Kristen Stewart maakt dat zichtbaar door haar film niet chronologisch te vertellen, maar als een collage van flarden — herinneringen die over elkaar heen golven, zoals water.

Onze verhalen zijn bovendien niet louter van onszelf. Ze dragen sporen van waar we vandaan komen en waarin we leven: familie, taal, cultuur, macht.

Wat we een narratief noemen, is dus geen gesloten geheel, maar een veld van krachten waarin verschillende lagen elkaar raken, overlappen en soms tegenspreken. Ik onderscheid drie grote krachten: het vertelde, het geheime en het verborgene.

 

Het vertelde

Uit wat we vertellen ontstaat een narratief: de ordening van de verhalen die we over onszelf maken. Datgene wat ik toon, orden en betekenis geef. Dat is mijn verhaal: een poging tot samenhang, tot herkenbaarheid om zelf overeind te blijven en om bij de wereld te kunnen horen.  Het beschermt me tegen mezelf en tegenover anderen.

Wat we over onszelf vertellen, vormt een onderdeel van onze identiteit. Identiteit ontstaat in dat narratief, maar valt er nooit volledig mee samen. We zijn altijd meer dan de verhalen die we vertellen. We zijn ook lichaam, ervaring, … en we zijn ook dat wat we niet vertellen (zie hieronder: Het geheime en Het verborgene).

We kiezen stukken uit ons leven en maken daar een samenhangend geheel van. Iedereen doet dit. Naarmate we ouder worden, wordt die oefening urgenter. Wat is de zin van mijn leven geweest? Biografische reflectie is dan het bijeen brengen van verhalen waaruit een narratief ontstaat.

Feiten (verleden) kunnen blijven, maar hoe we ernaar kijken (geschiedenis) verandert. Het narratief is geen vaststaand geheel, maar een beweging. Het beweegt zich tussen verleden, heden en toekomst. Hoe we over ons verleden vertellen, beïnvloedt ons handelen in het heden en onze verhouding tot de toekomst. We zijn niet wat we ooit waren, maar wat we telkens opnieuw van dat verleden maken in verbeelding en taal. Identiteit leeft dus niet buiten het narratief, maar in het vertellen zelf.

Wie zijn  leven probeert te schrijven, ontkomt niet aan constructie. 
Augustinus (354-430) beschreef zijn leven in Confessiones (398) en annoteerde het later in zijn Retractationes (Nalezingen, 427). 
De schrijfster Lilian Hellman (1905-1984) schreef autobiografische verhalen die later deels onjuist bleken te zijn. Ze verdedigde zich door te zeggen dat ze de waarheid schreef zoals zij die zich herinnerde, geen feitelijke waarheid. Herinnering als constructie.

Wat als zelfs onze meest persoonlijke waarheid niet meer is dan het verhaal dat we onszelf vertellen? Nogmaals The Chronology of Water: “De betrouwbaarste herinneringen zitten vast in de hersenen van hen die vergeten.”

 

Het geheime

In mijn narratief laat ik verhalen uit mijn leven weg. Soms omdat ik ze te banaal vind. Maar sommige dingen – en hier wordt het spannend – vertel ik liever niet. Niet omdat ik ze niet ken, maar omdat ik ze niet wil tonen. Daar begint het geheim: wat ik verzwijg of afscherm. 

Jaren geleden, toen ik pas was afgestudeerd, nodigde een goede vriend ons uit om te komen eten. We kenden hem als minzaam, intelligent, wat teruggetrokken man. Op een bepaald moment werd hij zichtbaar zenuwachtig. Hij trok bleek weg, zocht naar woorden en zei toen: “Ik wil dat jullie weten dat ik homo ben.” 
Het was duidelijk dat deze zin al jaren in hem leefde. 
Het maakte deel uit van zijn leven maar niet van zijn narratief. 
Tot op dat moment.

Een geheim is geen gebrek aan woorden. Het is een keuze om ze niet te gebruiken. Niet noodzakelijk omdat ze onwaar zijn, maar omdat we de gevolgen vrezen: schaamte, misverstand, afwijzing …

Het geheim wordt niet alleen bepaald door wat verzwegen wordt, maar ook door wie het mag kennen:
Er is het geheim dat niemand weet, behalve ikzelf. 
Er is het geheim waarvan ik weet dat enkelen het kennen waarvan ik hoop en verwacht dat ze het voor zich houden. 
Er is het geheim dat ik deel met iemand anders, omdat die er zelf in betrokken is. 

Wanneer een geheim niet langer stil kan blijven, neemt het zelden meteen de vorm aan van een verhaal. Het verschijnt eerst als iets anders: een vermoeden, een fluistering, een gerucht. 

Het gerucht is de tussenvorm tussen geheim en verhaal. Het gerucht beïnvloedt het verhaal nog vóór het verteld is. Het brengt wazige contouren in de mist. The Band zingt daarover in het prachtige The Rumor. Het verhaal heeft geen duidelijke oorsprong meer. Niemand weet precies wie het gezegd heeft of wat er exact gebeurd is, maar het gaat van mond tot mond, verandert onderweg, en begint toch effect te hebben. Mensen reageren op iets dat nog niet vastligt. 

En dan komt het moment waarop het uitkomt. In de film Loft wordt dat scherp verwoord: “Het is niet dat overspel; het is dat het uitkomt.” Niet de daad zelf breekt het narratief open, maar het moment waarop ze zichtbaar wordt, waarop het vertelbaar wordt.

Wanneer een geheim in de openbaarheid komt, als het wordt uitgesproken, verschuift het van stilte naar taal. Het geheim wordt een verhaal. Maar daarmee is het niet opgelost. Wat gezegd wordt, kan bevrijden of ontwrichten. Het moet nog een plaats krijgen. Het herschrijft het narratief.

Dat is precies wat er gebeurt in The Chronology of Water: ervaringen die lange tijd geen plaats hebben in het verhaal, krijgen moeizaam en pijnlijk via het schrijven een vorm. Het geheim wordt opgenomen in het narratief.

 

Het verborgene

Er blijft iets dat zich niet laat vertellen. Niet omdat we het verzwijgen, maar omdat we het niet weten. Daar begint het derde gebied: het verborgene. 

Ik was recent op een familiefeest en een jongere nicht – lichtjes aangeschoten – kwam naar mij toe. Ze vertelde dat ze bang was voor mij en mijn oudere broer. Elke keer als ze ons ontmoette, zei ze, boezemden we haar schrik in en voelde ze zich klein, zelfs gekleineerd. Ze ging dan altijd bevend naar huis. 
Ik wist niet waarover ze het had. Ik viel stil. Ik herkende mezelf niet.

Een andere keer, op een verjaardagsfeest van een zestigjarige vriend, sprak een vrouw mij aan. Ze zei dat ze goede herinneringen had aan mij. Ik kende haar niet. Ze vertelde dat ik haar ooit had geholpen op de trein, bij een conflict met een bijzonder lastige kaartjesknipper. Ik was toen nog student. 
“Hoe jij toen voor mij opkwam, iemand die je niet kende, dat ben ik nooit vergeten”. 
Ik wel.

Wat ik hier het verborgene noem – in oudere tradities ook wel het ‘occulte’ – is niet wat we verzwijgen, maar wat zich aan ons weten onttrekt. Het zijn de sporen die ik nalaat in anderen: de impact die ik heb gehad zonder die te kennen, de verhalen waarin ik voorkom zonder ze te horen. Tot het naar boven komt en er een versie van onszelf verschijnt die we niet kennen. Niet omdat ze onwaar is, maar omdat ze buiten ons perspectief ligt.

Er is nog een andere vorm van het verborgene: het kan ook gaan om wat in mijzelf verborgen ligt — in wat ik ooit heb geweten, maar inmiddels ben vergeten. Iets wat is weggeduwd naar de diepten van mijn geheugen en daardoor geen deel kan uitmaken van mijn verhalen. Dat verborgene kan plots weer opduiken.

Wanneer het verborgene naar voren komt, gebeurt er iets anders dan bij het geheim. Het doorbreekt het narratief niet, maar verruimt het. Ik ben meer dan mijn eigen narratief, omdat anderen delen van mij dragen die ik zelf niet ken.
Er verschijnt iets dat nooit spontaan deel kon uitmaken van mijn narratief en dat ik er nu een plaats in kan geven.



Een vierde dimensie

Het verleden is reëler dan het heden. Het heden is een ongrijpbaar punt dat zich voortdurend oplost. Wat we ‘nu’ noemen, is al voorbij op het moment dat we het benoemen. Het zijn de verhalen — de taal waarin we terugblikken — die vluchtige momenten vastzetten en vorm geven. 
Niet wat verschijnt, maar wat ik ermee doe, bepaalt mijn narratief. 
Zoals op het einde van The Chronology of Water wordt gezegd:
Bied woorden aan.
Mensen vragen me voortdurend of wat ik schrijf echt gebeurd is.
Is dat niet de vraag waar het in het leven op aankomt?
Is dit mij echt overkomen?
Ik weet het niet.
De dingen die ons overkomen zijn echt.
Maar schrijven is iets heel anders.”

We worden geboren in een wereld die er al is. Een wereld van betekenissen, gewoontes, verwachtingen. Gaandeweg leren we ons daartoe te verhouden. We voelen, willen en denken. Zo krijgt ons leven vorm. Tussen het vertelde, het geheime en het verborgene beweegt mijn identiteit. In die beweging ontstaan nieuwe verhalen. Zo ontstaat er geleidelijk een manier om in die gegeven wereld te staan; niet uit wat vastligt, maar uit wat zich verplaatst tussen spreken, zwijgen en onwetendheid. Identiteit ontstaat uit verschuiving, niet uit stabiliteit.

Daar, in wat nog kan worden, ligt onze vrijheid en onze verantwoordelijkheid.

Na het verborgene lijkt het alsof we de grens hebben bereikt van wat zich aan het verhaal onttrekt. Wat niet verteld wordt, wat niet geweten is – daar eindigt het zichtbare. Hier zouden we kunnen afronden. Maar het verhaal is nog niet af. 

Want wat zich aan ons zicht onttrekt, ligt niet alleen achter ons. Het ligt ook vóór ons

Wat we met ons leven doen, blijft niet beperkt tot wat geweest is. Het werkt vooruit. - zoals Søren Kierkegaard het formuleert: “Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar moet voorwaarts worden geleefd.” 

‘De dingen die ons overkomen zijn echt.’ Maar identiteit valt nooit samen met wat geweest is. We verhouden ons niet alleen tot wat is, maar ook tot wat nog niet is. Er is in ons een aspect dat zich richt op mogelijkheden, op wat nog kan worden. Daar begint de vierde dimensie en die ligt vóór ons: in wat nog niet is, maar mogelijk wordt. Daar ligt een andere vorm van verborgenheid: niet wat onuitgesproken achter ons ligt, maar wat ongerealiseerd vóór ons ligt.

En precies daar, in wat nog kan worden, ligt onze vrijheid en onze verantwoordelijkheid.