Onze verhouding tot de dieren is niet juridisch, maar ethisch. Foto © Shutterstock


Voor Christine Gruwez



LAAT ONS BEGINNEN met een eenvoudige vraag die aan de kern van dit artikel raakt: als we uitgaan ven het feit dat dieren rechten hebben, bestaan die rechten dan ook als er geen mensen meer zijn? 

Mijn antwoord is tamelijk rechtlijnig: zonder mensen verdwijnen rechten. Rechten treffen we niet in de natuur aan. Ze ontstaan pas wanneer mensen normen vastleggen, erkennen en beschermen.  Onze verhouding tot dieren is in de eerste plaats niet juridisch, maar ethisch. Ik spreek liever over menselijke plichten tegenover dieren dan over rechten van dieren. Zoals zal blijken, gaat dit artikel niet over de vraag of dieren rechten hebben, maar over een andere vraag: wanneer wordt menselijk handelen wreed?

Terug naar het ontroerende gedicht van Rilke.

 

De wereld van de panter

 

Der Panther Im Jardin des Plantes, Paris. 
 

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe 
so müd geworden, dass er nichts mehr hält. 
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gebe 
und hinter tausend Stäben keine Welt. 

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte, 
der sich im allerkleinsten Kreise dreht, 
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte, 
in der betäubt ein grosser Wille steht. 

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille 
sich lautlos auf -. Dann geht ein Bild hinein, 
geht durch der Glieder angespannte Stille – 
und hört im Herzen auf zu sein. 
 


Video: Extract from the film “Zeno Writing”, 2002, by William Kentridge © WilliamKentridgeStudio [1]

 

De panter “Jardin des Plantes” - Parijs. 
 

Zijn blik is van het langsgaan van de stangen 
zo moe geworden dat hij niets meer ziet. 
Wel duizend stangen houden hem gevangen 
en meer dan duizend stangen is er niet. 

De zachtheid van zijn lenig sterke pas, 
die steeds de allerkleinste ring beschrijft, 
is als een dans van kracht rondom een as 
waarin een machtig willen is verstijfd. 

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen 
geluidloos op. Dan gaat een beeld erdoor naar binnen, 
glijdt door het van spanning stille 
lijf naar zijn hart - en gaat teloor. 

Vertaald door Peter Verstegen
 

Opmerkelijk is niet zozeer wat Rilke schrijft, maar wat hij niet schrijft. Nergens eist hij vrijheid voor de panter. Nergens spreekt hij over de rechten van de panter. Hij kijkt en ziet een dier dat opgesloten zit en zijn wereld heeft verloren. De tralies worden de werkelijkheid. Af en toe dringt nog een beeld door, maar het dooft onmiddellijk uit: “glijdt door het van spanning stille lijf naar zijn hart - en gaat teloor”. De tralies nemen hem niet alleen zijn vrijheid af; zij nemen hem vooral zijn wereld af. 

De panter lijdt omdat hij niet langer panter kan zijn. (…) Dat is een criterium voor wreedheid.  Foto © Shutterstock

Daar ligt de diepere betekenis van het gedicht. De panter lijdt niet alleen omdat hij gevangen zit. Hij lijdt omdat hij niet langer panter kan zijn. Daarmee reikt Rilke ons een criterium aan voor wreedheid: dat begint waar een levend wezen zijn eigen wijze van bestaan wordt ontnomen.

Wreedheid begint waar een levend wezen niet langer kan zijn wat het is.

 

Van lijden naar plichten

Aan het einde van de achttiende eeuw stelde de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748–1832) een beroemde vraag: kunnen dieren lijden? Hij wilde daarmee duidelijk maken dat de morele betekenis van dieren niet afhangt van hun verstandelijke vermogens, maar van hun kwetsbaarheid voor pijn en leed. Hij vroeg zich dus niet af of dieren kunnen redeneren of spreken. 

Peter Singer (1946) bouwde voort op Bentham. Dierenleed mag volgens hem niet minder zwaar wegen enkel omdat het om dieren gaat. Tom Regan (1938–2017) ging nog verder en beschouwde dieren als subjects-of-a-life: wezens met een eigen levenswereld en daarom met een waarde die niet afhankelijk is van het nut dat zij voor mensen hebben. Regan verbond daaraan rechten.

Ook in het Nederlandse taalgebied zijn er pleitbezorgers voor de rechten voor dieren en natuur. Erik Kaptein bijvoorbeeld kiest in Rechtsgelijkheid voor de natuur voor de juridische weg. Omdat ook niet-menselijk leven een eigen bestaanswaarde heeft, wil hij het als drager van rechten erkennen. De schade aan de levende natuur is volgens Kaptein zo vernietigend voor de aarde dat het hoog tijd is om in te grijpen. Hij maakt de vergelijking met de Franse Revolutie en ziet hoe vanaf 1789 de kring van rechthebbenden werd uitgebreid. Dit moeten we nu ook doen voor de Natuur. Hij pleit voor een Verklaring van de Rechten voor de Natuur. Maar omdat de Natuur, met name dieren, hun rechten niet zelf kunnen formuleren en opeisen, zullen mensen in hun plaats moeten spreken en de rechten van de dieren verdedigen. Wij zijn als het ware hun advocaat. Zo lees ik Kaptein.

Hier schuilt echter een merkwaardige paradox. Om het dier aan het antropocentrisme te onttrekken, neemt Kaptein – en de andere pleitbezorgers voor dierenrechten – het dier op in een bij uitstek menselijke orde: die van het recht. De panter krijgt dan wel rechten, maar het zijn mensen die bepalen wat die inhouden, wanneer ze worden geschonden, hoe ze worden afgedwongen … Het antropocentrisme dat men wilde doorbreken, keert dus stilletjes via een achterpoortje terug: uiteindelijk zijn het opnieuw mensen die de touwtjes in handen houden [2].

Daarom scheiden onze wegen. Kaptein wil de kring van rechthebbenden uitbreiden; ik wil die van de menselijke plichten uitbreiden. Kaptein wil de panter aan de menselijke overheersing onttrekken door hem binnen een menselijke categorie te brengen: die van het rechtssubject. Ik wil de panter juist buiten die categorie laten en hem gewoon panter laten zijn.

Bentham spreekt de taal van het lijden; Rilke spreekt de taal van het verlies. De een vraagt wat een dier voelt; de ander toont wat een dier wordt ontnomen: de panter verliest niet alleen zijn vrijheid; hij verliest de mogelijkheid panter te zijn. Daarin ligt voor mij de betekenis van Rilkes gedicht. De panter hoeft niet menselijk te worden en ook geen rechtssubject. Hij moet panter kunnen zijn. Onze opdracht bestaat er dan in hem die mogelijkheid niet te ontnemen. 

De kern ligt dus niet in de vraag welke rechten levende wezens hebben, maar in de vraag wat wij hun verschuldigd zijn. Daarmee kom ik dicht bij Simone Weil, voor wie plichten voorafgaan aan rechten. Een levend wezen hoeft geen rechten te formuleren, op te eisen of te bezitten om bij ons een plicht op te roepen. Zijn kwetsbaarheid en zijn eigen wijze van bestaan kunnen daarvoor volstaan [3]. Zo'n plicht staat bovendien niet noodzakelijk tegenover onze vrijheid. De mens die de panter panter laat zijn, doet afstand van macht, maar niet van vrijheid. Hij maakt juist gebruik van zijn vrijheid door zichzelf een grens te stellen. 

 

Tragiek en wreedheid

De Duitse filosoof Markus Gabriel [4] wijst erop dat de mens niet buiten de natuur staat die als een rechter over haar oordeelt. Ook wij zijn lichamelijke, kwetsbare en sterfelijke wezens. Wij herkennen het lijden van dieren omdat wij leven in een zelfde kwetsbare en sterfelijke conditie. En precies daar verschijnt de bijzondere verantwoordelijkheid van de mens.

Een marter die een kip doodt, begaat geen misdaad. Een koekoek die een ei uit het nest duwt, handelt niet wreed. Dergelijke gebeurtenissen behoren tot de tragiek van het leven. De mens deelt in de tragiek van het leven, maar hij is daarenboven verantwoordelijk voor wat hij er bewust aan toevoegt: opsluiting, uitbuiting, vernedering en vermijdbaar leed.

De mens is niet verantwoordelijk voor de tragiek van het leven. Wel voor de wreedheid die hij eraan toevoegt. Foto © Shutterstock

Wreedheid ontstaat wanneer de mens zich bewust is van het feit dat hij vermijdbaar leed veroorzaakt en desondanks doorgaat. Niet het bestaan van lijden vormt het hart van de ethische vraag, maar de menselijke toevoeging van vermijdbaar leed. De natuur kent tragiek. Alleen de mens kan wreed zijn. 

 

Mens en dier

In deze context roept kwetsbaarheid plichten op bij de mens: de plicht om dieren dier te laten zijn en de plicht om mensen mens te laten zijn. Bij de mens bevat dit een bijzondere dimensie. Wij leven als lid van een gemeenschap van taal, geschiedenis, cultuur en verantwoordelijkheid. Daarom bestaat de plicht ieder mens niet alleen in staat te stellen mens te zijn, maar ook mens te worden. Mens worden is daarbij geen levensfase die eindigt met de volwassenheid. Het behoort tot ons mens-zijn zelf: wij blijven ons ontwikkelen, vormen en verhouden tot anderen en tot de wereld die wij met hen delen. Mens-zijn is altijd tevens mens-worden. Deze gedachte sluit aan bij wat ik elders over mensenrechten schreef [5]. 

Bij pasgeborenen en kinderen wordt deze dubbele opdracht bijzonder zichtbaar. Ze nemen nog niet actief deel aan de menselijke gemeenschap. Toch behoren zij er vanaf het begin toe. Als kwetsbare lichamen én als mensen die nog moeten uitgroeien tot zelfstandige deelnemers aan die gemeenschap doen zij een beroep op ons. Daarom hebben kinderen niet alleen lichamelijke bescherming nodig, maar ook opvoeding, taal, onderwijs en de mogelijkheid zich als mens in de gemeenschap te ontwikkelen. 
 

De kwetsbaarheid van dieren roept de plicht op het dier dier te laten zijn. Foto © Shutterstock

 

Verantwoordelijkheid zonder rechten

We begonnen dit artikel met de vraag of dieren rechten hebben als er geen mensen bestaan. Neen, was ons antwoord. Rechten behoren tot de menselijke wereld. Zonder mensen verdwijnen ook rechten. Onze plichten tegenover dieren ontstaan dan ook niet uit hun rechten, maar uit onze verhouding tot kwetsbare levende wezens. Deze kwetsbaarheid is de bron van een moreel appèl. 

Een belangrijkere vraag is dan: wat zijn wij dieren verschuldigd zolang wij er wél zijn? Rilkes gedicht wijst ons de weg. Het lijden schuilt niet alleen in de tralies die de panter gevangen houden, maar vooral in de wereld die hem wordt ontnomen. Wreedheid begint waar een levend wezen niet langer de mogelijkheid krijgt te zijn wat het is. Een dier respecteren betekent het in de eigen levensvorm te laten bestaan. Wie een wereld afneemt, veroorzaakt meer dan pijn: hij ontneemt een wezen zijn wijze van bestaan. Dat is wreedheid.

 

Nog even dit
 

[1] Het gedicht van Rainer Maria Rilke, Der Panther, werd oorspronkelijk gepubliceerd in Neue Gedichte (1907); 
Nederlandse vertaling van Peter Verstegen staat in Rainer Maria Rilke, Nieuwe gedichten. Een bloemlezing. 2021, Rainbow Pockets, 9789041741189

Bij de video van Kentridge: 
“There’s a line in the Rilke poem ‘The Panther’ where he talks about the panther going up and down, backwards and forwards in front of the bars; the translation that always sticks in my head is “like a dance of strength around a middle / where a mighty will was put to sleep”. 
That centre is a gap, terrain that I don’t always try to go through, but the work happens around it. 
The only way I can talk about it, is by circling it. 
‘Will’ has always for me had a double meaning… but it’s that sense of a dance of strength around a gap”. WK — Uit de Instagram van William Kentridge Studio, 17 mei 2022

Extract from “Footnotes for the Panther: Conversations between William Kentridge and Denis Hirson”, 2017, Fourthwall Books, Johannesburg

[2] Een goed overzicht van de verschillende stellingen rond rechten voor de natuur vind je in: s.n., “Rechten voor de natuur?”, in: De grondwet voor iedereen, Hoger Instituut voor Wijsbegeerte en de Faculteit Rechtsgeleerdheid en Criminologische Wetenschappen van de KU Leuven, 2026
Peter Singer, Animal Liberation. A New Ethics for Our Treatment of Animals, New York, Random House, 1975.
Tom Regan, The Case for Animal Rights, Berkeley, University of California Press, 1983.
Erik Kaptein, Rechtsgelijkheid voor de natuur. Waarom niet-menselijk leven rechten verdient, ISVW Uitgevers, 2021, 9789083121567

[3] Een verwante kritiek werd reeds geformuleerd door Jos Verhulst. 
Volgens hem leidt een consequente doortrekking van het darwinistische mensbeeld niet vanzelf tot dierenrechten. Indien mens en dier principieel tot dezelfde orde behoren, valt immers moeilijk te verklaren waarom enkel van de mens moreel gedrag wordt geëist. 
Verhulst betoogt bovendien dat rechten slechts kunnen bestaan binnen een orde van vrije en mondige rechtssubjecten die in principe kunnen deelnemen aan de vorming van het recht. Een uitbreiding van het rechtsbegrip tot dieren zou volgens hem uiteindelijk kunnen leiden tot een uitholling van het onderscheid tussen rechtssubjecten en beschermde objecten van recht. 
Zie: Jos Verhulst, “Dieren hebben geen rechten, maar de mens is geroepen tot medelijden”, in: Klaas Commentaar, III-1, 24-2-1995, p. 2-3. Lees het volledige artikel (pdf).

De gedachte dat mensen niet alleen rechten hebben, maar ook plichten leidde in 1997 dat tot de Universal Declaration of Human Responsibilities, een initiatief van de InterAction Council onder voorzitterschap van Helmut Schmidt. Hans Küng schreef een eerste ontwerp. De bedoeling was niet om de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens te vervangen, wel om er iets naast te zetten: een ethiek van verantwoordelijkheid. De InterAction Council leverde ook een Nederlandse vertaling (PDF).
Ze gebruiken het woord Responsibilities en niet Duties. In de Nederlandse verklaring staat er Verantwoordelijkheden en niet Plichten. Voor mijn betoog is dat onderscheid van belang. Verantwoordelijkheid wordt immers pas werkelijk dwingend wanneer zij als plicht wordt verstaan en ervaren. Een mensenplicht is dan niet alleen een plicht tegenover andere mensen, maar een plicht die op ons rust omdat wij mens zijn. Zo kan zij zich ook uitstrekken tot dieren en de levende natuur. Om het toe te passen op de panter: hij heeft mijn verantwoordelijkheid niet nodig als een welwillende houding; hij doet een plicht op mij rusten. 

[4] Markus Gabriel, De mens als dier. Waarom we toch niet in de natuur passen, 2023, Boom, 9789024452675
Gabriels onderscheid tussen verschillende "zinvelden" (Sinnfelder) biedt ook hier een bruikbaar denkkader. In Waarom de wereld niet bestaat betoogt hij dat alles wat bestaat, bestaat binnen een bepaald zinveld: een boom in het natuurlijke, een sonnet in het literaire, een getal in het wiskundige, een wet in het juridische. Er bestaat dus niet één allesomvattende werkelijkheid waarin alle dingen op dezelfde manier bestaan. Rechten en plichten behoren daarom niet tot het biologische zinveld, maar tot het morele en juridische. 
Zie Markus Gabriel, Waarom de wereld niet bestaat, Boom, Amsterdam, 2016, ISBN 9789089532718. 

In de context van deze panter-bijdrage zou je kunnen zeggen: de panter blijft binnen het biologische zinveld. De mens leeft eveneens in dat zinveld, maar zijn handelen verschijnt tegelijk in een moreel zinveld. Daarom kan een panter tragisch handelen, maar alleen een mens kan wreed zijn.

Dit alles sluit aan bij Over fragmenten en scherven, Het Verzet, 29-11-2024.

[5] Mensenrechten bestaan slechts binnen een menselijke politieke orde. Ze vormen het politieke en juridische antwoord op een voorafgaande menselijke kwetsbaarheid. Zij beschermen geen abstract individu, maar de concrete mogelijkheid om als mens te leven, zich te ontwikkelen en samen met anderen een gedeelde wereld op te bouwen. Mensenrechten hebben daarom betrekking op wezens die zelf deelnemers zijn aan die rechtsorde.