Ben Weyts terug naar de school
Ben Weyts terug naar de school

IN DE AFSPRAAK VAN 24 februari 2021 interviewde Bart Schols de Vlaamse Minister van Onderwijs, Ben Weyts, over de benoemingen van leerkrachten en de eindtermen. Wat Minister Weyts over de eindtermen zei, als reactie op een uitspraak van Lieven Boeve, de directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, deed me sterk de wenkbrauwen fronsen. De overheid duwt een onderwijs door dat ten dienste staat van maatschappelijke, economische doelen en heeft een fout begrip van wat een democratie inhoudt. En de pers, de waakhond van onze democratie, zwijgt. (nvdr: onderaan vind je gedachten van het onderwijs van de Vlaamse gemeenschap, het katholieke onderwijs en de steinerscholen over de eindtermen.)


Staatspedagogie


De overheid drukt via de eindtermen een bepaalde inhoud van het onderwijs door waardoor ze in botsing komt met pedagogische projecten met andere inhoud en doelen en deze quasi onmogelijk maakt.


Een deel van wat ik hier schrijf is niet nieuw. De eerste eindtermen werden goedgekeurd in het Vlaams Parlement in 1997. Eindtermen hebben van bij aanvang heel wat stof doen opwaaien. Bij mij is het stof nooit gaan liggen.
Wat zijn eindtermen? In de beleidsnota Onderwijs 2014-2019 staat: “Eindtermen, ontwikkelingsdoelen en kwalificaties concretiseren datgene wat de samenleving als leerresultaat van een onderwijsloopbaan verwacht. Hierbij beperkt de overheid zich tot het ‘wat’. De invulling ervan, het ‘hoe’, behoort tot de autonomie van scholen en leraren.”


Ben Weyts ontkent dat eindtermen een soort staatspedagogie zijn. In het interview op De Afspraak verwoordde hij het als volgt: “Dan schrik ik toch wel een beetje als er wordt gezegd: ja, dit is staatspedagogie. Ik heb mij met die eindtermen an sich eigenlijk niet gemoeid.” Hij benadrukt –ook in zijn eigen blog– dat de nieuwe eindtermen ontwikkeld werden en geëvalueerd worden —vrij van politieke inmenging– door mensen uit de praktijk.
Ik vermoed dat hij bedoelt dat hij niet zelf de eindtermen heeft geschreven. Dat klopt, uiteraard, maar de eindtermen worden uitgewerkt door de ambtenaren van het agentschap voor hoger onderwijs, volwassenenonderwijs, kwalificaties & studietoelagen (AHOVOKS), samen met door hen geselecteerde deskundigen. Het onderwijsveld dient als klankbord. Bijsturingen of aanpassingen aan de eindtermen kunnen enkel doorgevoerd worden wanneer AHOVOKS zijn akkoord geeft. Dat is inherent aan de overheidslogica: een agentschap is immers “voornamelijk verantwoordelijk voor beleidsuitvoerende taken”.
De eindtermen creëren echter op vele vlakken anomalieën:


  1. De overheid beperkt de keuzevrijheid;
  2. Ze doet dat met dwang;
  3. Ze bepaalt de toekomst van de samenleving;
  4. Ze instrumentaliseert de leerkrachten.


#1: Keuzevrijheid van een pedagogische project


Het eerste probleem is inhoudelijk. Op de website van de Vlaamse overheid staat: “Elke school heeft een pedagogisch project. Het schoolbestuur werkt dat uit […]. De keuze voor een bepaald pedagogisch project is vrij, en vormt de levensbeschouwelijke of filosofische basis voor het onderwijs in de betrokken scholen.” Het schoolbestuur definieert met het pedagogisch project de visie op onderwijs en opvoeding die in de school wordt aangeboden. Het vormt als het ware de beginterm van een school.


Alle scholen worden herleid tot methodescholen.

Elke school mag zelf haar pedagogisch project kiezen en aanbieden aan de ouders en kinderen, aangezien vrijheid van onderwijs ook pedagogische vrijheid betekent. Maar eindtermen zoals ze nu worden gehanteerd, beschrijven het pedagogisch project (inhoud en leerdoelstellingen) van een school. Indirect zegt Ben Weyts het zelf in het interview: “Hoe dat je dat bereikt, dat kennisniveau, daar ben je volledig vrij in.” De inhoud – het kennisniveau, de doelstellingen– wordt dus bepaald door de door de overheid ingerichte ‘commissies’. De school, leerkracht,… heeft enkel de vrijheid om de methode te kiezen om die doelstellingen te bereiken. En hij voegt er nog aan toe: "Dat is de essentie van de pedagogische vrijheid.…”.


Kortom, de overheid bepaalt zo goed als de volledige inhoud van wat er wordt onderwezen. Alle scholen worden herleid tot methodescholen. Dat is de Belgische variant op staatspedagogie.
Dit is onthutsend en verontrustend.


In het verweer


Een botsing tussen school en overheid is onvermijdelijk. Het katholieke onderwijs en de steinerscholen hebben al geprotesteerd over het feit dat de staat te veel inhoudelijke invulling geeft waardoor hun eigen pedagogische project onmogelijk wordt.


Dergelijk protest is overigens niet nieuw. Tegen de allereerste set eindtermen in de jaren 90 werden vernietigingsberoepen ingesteld bij het Arbitragehof (het latere Grondwettelijk Hof). Het ging ook toen over onderwijsvrijheid ( ‘opgelegde inhoud’ en ‘methodevrijheid’.) In zijn arrest van 18 december 1996 stelde het Hof vast dat de bekrachtigde ontwikkelingsdoelen en eindtermen voor het basisonderwijs zo omvangrijk en gedetailleerd waren dat niet in redelijkheid kon worden aangehouden dat het om minimale doelstellingen ging, “derwijze dat zij onvoldoende ruimte laten om de doelstellingen van het eigen pedagogisch project te kunnen verwezenlijken. Aldus wordt aan de vrijheid van onderwijs geraakt.” [2]
In het arrest stond verder nog te lezen: “[Onderwijsvrijheid] impliceert de mogelijkheid voor privépersonen om – zonder voorafgaande toestemming en onder voorbehoud van de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden – naar eigen inzicht onderwijs in te richten en te laten verstrekken, zowel naar de vorm als naar de inhoud, bijvoorbeeld door scholen op te richten die hun eigenheid vinden in bepaalde pedagogische of onderwijskundige opvattingen.




# 2: Dwang


Een tweede probleem is dat er een link wordt gelegd tussen de eindtermen en de erkenning van de diploma’s uitgereikt door een onderwijsinstelling. De overheid dwingt de scholen in het gareel. De diploma’s worden immers maar erkend als de school een leerplan gebruikt dat is goedgekeurd door de inspectie. Deze controleert onder meer of de eindtermen vervat zitten in het leerplan en of het wordt nageleefd. Als je niet erkend wordt, ontvang je geen subsidie.


Een school inrichten is echter financieel en logistiek geen sinecure en kan de facto bijna enkel gerealiseerd worden via subsidiëring door de overheid. Ook dit is niet nieuw. België is voor een groot deel gebouwd op de wens naar vrijheid van onderwijs. Prof. Van Orshoven hierover: “Preciezer, het ontstaan van dit land is in aanzienlijke mate beïnvloed door de wens om door particuliere burgers - vooral door de katholieke kerk- ingericht onderwijs, d.i. het zogenaamde "vrij onderwijs", aan staatsbemoeiing te onttrekken. […] De monopolistische schoolpolitiek van Willem was de steen des aanstoots die de Belgische katholieken tot verstandhouding met de liberalen bracht, op grond van een gemeenschappelijk vrijheidsprogramma, wat uiteindelijk de Belgische omwenteling heeft uitgelokt en doen slagen. […] De vrijheid van onderwijs werd in de grondwet bij de oprichting van België nadrukkelijk opgenomen.” [3]


Reeds snel na de oprichting van België kwam men tot het inzicht dat echte onderwijsvrijheid niet zonder staatssteun kan.

Reeds snel na de oprichting van België kwam men tot het inzicht dat echte onderwijsvrijheid niet zonder staatssteun kan. Nogmaals Van Orshoven: “Naarmate het verstrekken van onderwijs steeds meer kosten met zich bracht, die de vrije instellingen of hun cliënteel niet langer konden opbrengen, kwam immers de onderwijsvrijheid zelf in het gedrang, die slechts met overheidssteun veilig kon worden gesteld.”
Dus de overheid begon het onderwijs te subsidiëren om de vrijheid van onderwijs te garanderen. Met andere woorden, moest er geen nood zijn aan een herverdelende financiering, dan was er amper een reden voor de overheid om betrokken te worden bij onderwijs, tenzij een rechtsvraag (zie lager).

Je kan ook niet-gesubsidieerd door het leven gaan, maar om je diploma’s te laten erkennen moet je wel voldoen aan de eindtermen. Thuisonderricht of privéscholen bijvoorbeeld ontvangen geen enkele subsidie van de overheid maar de leerlingen zijn wel verplicht om naar een centrale examencommissie te gaan, waar ook het behalen van de eindtermen wordt getoetst. [4]

Conclusie: je kan niet onder de staatspedagogie uit.



#3: Doelstelling van de samenleving


Waarom is Ben Weyts zo een vurige verdediger van ‘zijn’ eindtermen? Welk doel dienen de eindtermen? In het bewuste interview verleidt hij ons om ‘ja’ te zeggen op de eindtermen door ons te vertellen hoe slecht het wel gaat in ons onderwijs: “Ik denk dat we de ambitie hebben om de lat hoger te leggen, we willen naar boven kijken. Onze onderwijskwaliteit staat onder druk […] de afgelopen 16 jaar – en ik verwijs naar de PISA-resultaten– zijn we elk jaar in zake onderwijskwaliteit er op achter uitgegaan in internationaal perspectief.”
Hij zegt niet hoe die achteruitgang er komt, maar hij is er blijkbaar wel van overtuigd dat de eindtermen dit probleem gaan oplossen.


Als de overheid eigen onderwijs wil inrichten met eindtermen, be my guest. Ik vind niet dat dit de taak is van een overheid, maar soit: ik wil geen nieuwe schoolstrijd starten. Maar de overheid moet vrij onderwijs echt vrij laten, zonder inhoudelijke bemoeienissen die gaan over zogenaamde ‘verwachtingen van de samenleving’ en die de rechtsvraag overstijgen. Deze ‘verwachtingen van de samenleving’ worden nu gedefinieerd door de overheid, onder meer door het betrokken agentschap (AHOVOKS) dat deze verwachtingen omzet in onderwijsdoelen. Zo staat het te lezen in hun missie: “Het agentschap staat in voor: […] De processen die leiden tot het tot stand komen van onderwijsdoelen en kwalificaties”.
Ook de overheidsmegafoon Klasse.be behandelde naar aanleiding van de eindtermen de verwachtingen van de maatschappij: “Wat moeten kinderen en jongeren op school leren om mee te kunnen in de maatschappij van morgen? Daarover woedde in het voorjaar van 2016 een publiek debat. De uitkomst: een lijst met 13 verwachtingen van de samenleving ten aanzien van het onderwijs.” [5]


Dat een jongere de kans krijgt zijn persoon te ontwikkelen is een fundamenteel recht. Als dat recht moet wijken voor de vermeende belangen van ‘de’ samenleving […] wordt onrecht begaan.

Ik kan het niet beter verwoorden dan auteur Hans Annoot deed in 1993: “Wat zijn in godsnaam de doelstellingen van onze maatschappij? Wie heeft die vastgelegd? Waarom en wanneer? Met welke legitimiteit? Met wat goede wil kan ik begrijpen wat men bedoelt met, bijvoorbeeld, de doelstellingen van de economie, van een culturele instelling. Maar de doelstellingen van ‘de’ maatschappij zie ik niet. Hetzelfde geldt voor de ‘belangen’ van de samenleving. In de maatschappij zijn individuen werkzaam (al dan niet verenigd in organisaties) met bepaalde doelstellingen, hetzij op socio-cultureel, hetzij op economisch vlak. Daarnaast is er een staat die, indien het een rechtsstaat is, de democratisch erkende rechten van elk individu wil waarborgen. De dynamische resultante van al deze door elkaar heen werkende en elkaar wederzijds beïnvloedende krachten zouden we ‘de’ samenleving kunnen noemen. Maar zelf heeft de samenleving geen doelstellingen! Gelukkig maar. […]
Het onderwijs moet voeling houden met wat zich in de maatschappij aan processen voltrekt. Maar hoe daarop in te spelen, welke doelstellingen na te streven, kan en mag niet door de staat worden voorgeschreven. Anders wordt alle creativiteit gedood, enkel het bestaande (i.c. welbepaalde belangen) worden bevestigd en verstevigd. Dat een jongere de kans krijgt zijn persoon te ontwikkelen is een fundamenteel recht. Als dat recht moet wijken voor de vermeende belangen van ‘de’ samenleving (of wiens belangen dan ook daarachter moeten schuilgaan), dan wordt onrecht begaan.”[6]


Goed om weten: PISA staat voor Programme for International Student Assessment en is een internationaal vergelijkend onderzoek op initiatief van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dat de bron van dit onderzoek economisch is, hoeft ons niet te verwonderen. Heel de Europese Unie is doordrongen van economische doelstellingen.
Ook de Raad van Europa spreekt in dezelfde zin: “Het is voor het verbeteren van de economische groei en de werkgelegenheid in de EU van essentieel belang dat EU-burgers over de benodigde vaardigheden beschikken om te slagen op de arbeidsmarkt.”
En op de website van de Vlaamse overheid staat het er zo: “Kinderen leven niet op een eiland in hun eigen kinderwereld. Hoe klein zij ook zijn, zij maken deel uit van een groter geheel en zij vervullen ook al heel vroeg een aantal rollen, bijvoorbeeld een rol als consument (tv, speelgoed, computer …). Ook de rollen die kinderen later als volwassene moeten vervullen, kunnen een aantal indicaties geven, bijvoorbeeld hun rol als gebruiker van technologie en techniek, hun rol als consument, hun rol als gebruiker van de natuur, hun rol als vervuiler van het milieu.”


Met de eindtermen wordt onderwijs tot instrument van het bedrijfsleven en de economische groei.



# 4: De instrumentalisering van de leerkracht


De overheid is beleidsmaker, inhoudsbepaler en handhaver van ons onderwijs geworden. De leerkracht wordt verlaagd tot de persoon die de inhoud, voorgeschoteld door de overheid, moet overbrengen. De leerkracht is op het veld de uitvoerder geworden van het overheidsonderwijsbeleid. Dit belooft om de taak en de aantrekkingskracht van leerkracht nog verder onderuit te halen.


Beeldt u zich eens in dat ouders tijdens het opvoedingsproces met een checklist van de overheid moeten werken.

Ook hier geef ik graag het woord aan iemand van het veld. In een column schrijft Pieter Van den Bossche, Leraar in het Sint-Vincentiusinstituut a Paulo te Gijzegem:
“Eerst en vooral heeft filosoof Peter Sloterdijk gelijk. Degelijk onderwijs dient voor te bereiden op een toekomst die nog niet bestaat. Eindtermen zijn per definitie relicten uit het verleden die bedoeld zijn om meetbaar te maken wat niet meetbaar is. De amechtige en ongetwijfeld goedbedoelde pogingen van de overheid en onderwijsverstrekkers om te controleren of algemene competenties door ons jonge volkje verworven zijn, hebben een omgekeerd effect. Beeldt u zich eens in dat ouders met een checklist moeten werken die op het einde van de rit aantoont welke normen en waarden al dan niet bereikt zijn tijdens het opvoedingsproces. Onmogelijk, zegt u, onwenselijk zelfs. Nochtans is dat wat van leerkrachten gevraagd wordt.”



Tussenstap


De overheid, hier bij monde van Ben Weyts, gedraagt zich als een minister-koster, die aan de burgers oplegt wat ze dienen te leren, die aan burgers oplegt waaraan onze samenleving nood heeft. Het gaat over het –al of niet bewust– manipuleren van burgers om in de pas te lopen.


In zijn dystopische roman 1984 liet George Orwell het al zeggen door het hoofdpersonage O‘Brien: “Macht is het uiteen scheuren van de menselijke geest en de stukken weer aaneenpassen tot nieuwe vormen die jij zelf hebt gekozen. Begin je nu te zien wat voor wereld we bezig zijn te creëren?” [7]


Onthutsend en verontrustend.


Karel De Grote op bezoek in een school

Het recht op onderwijs


Ben Weyts maakt gebruik van onze staatsomroep om er nog een schepje bovenop te doen: “In een parlementaire democratie is het wel zo dat het parlement finaal beslist.” […] “En ik vind dat wij als overheid, als democratie, mogen bepalen wat kinderen in het onderwijs moeten kennen en kunnen.”


Het is mooi dat Ben Weyts er een opinie op na houdt. Ik doe dat ook.

Eerst en vooral over ‘ik vind’: het is het mooi dat Ben Weyts er een opinie op na houdt. Ik doe dat ook, weliswaar een andere. Maar dat doet er nu niet toe. De opinies van Ben en van Pieter zijn maar opinies. De kranten staan vol van opinies. De vraag is of wat Ben Weyts zegt, gerechtvaardigd is.
Hij, en velen met hem, gaan in deze materie achteloos voorbij aan een van de fundamentele vragen van een democratie: wat is de taak van democratie? Anders gesteld: waarover kan een parlement finaal beslissen en waarover niet?


Een democratie is niet de uitdrukkingsvorm van een meerderheidsprincipe. Uiteraard is de meerderheidsregel een van de technieken die wordt toegepast in de democratische staatsvoering, maar niet alles kan onder dit principe vallen. Een onnozel voorbeeld: als morgen het parlement bij meerderheid beslist dat alle kinderen van 6 tot 12 jaar ten laatste om 20 uur moeten gaan slapen, dan leggen we deze beslissing naast ons neer. De overheid heeft hier geen enkele bevoegdheid.


Het doel van de democratie is om te zorgen dat alle mensen rechtens gelijk worden behandeld. Een democratie is een staatsvorm om burgers te betrekken bij de vorming van het samenleven.
Danielle Allen zegt het mooi in haar werk over het ontstaan van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring: “Het doel van democratie is om politieke gelijkheid te installeren. Politieke gelijkheid heeft tot doel individuele burgers te versterken (nvpv: to empower) en hen voldoende controle te geven over hun leven om zich te beschermen tegen heerschappij (nvpv: domination). Politieke gelijkheid is echter meer dan louter beschermen tegen heerschappij. De beste manier om heerschappij te voorkomen is ervoor te zorgen dat iedereen, elke burger, elk individualiteit, mee vorm kan geven aan de wereld waarin iemand leeft. Bij echte politieke gelijkheid, het doel van democratie, worden burgers medescheppers van de gedeelde wereld.” [8]


Danielle Allen pleit terecht voor het grote principe van onze tijd, namelijk dat we enkel kunnen leven in maatschappelijke vormen die we zelf mee vorm geven. Het is aan de democratie om hiervoor te zorgen. Niet meer, niet minder. Het doel van democratie is niet om te bepalen wat er dient te worden onderwezen, maar wel om politieke gelijkheid te realiseren. De democratie legt de brug tussen individu en samenleving. (nvpv: zie mijn artikel over zelfrepresentatie).


De hamvraag: wordt aan kinderen en ouders recht gedaan?

Als de overheid met de onderwijswereld al over onderwijsinhoud zou discussiëren, dan dient dit te gaan over rechtsvragen: wordt aan ouders en kinderen recht gedaan? Wordt het recht van kinderen aangetast? Heeft een school het recht om dit of dat onderwijs in te richten? enzovoort. Het is van de pot gerukt dat de overheid zich beroept op de democratie om uitgebreid te bepalen wat kinderen in het onderwijs moeten kennen en kunnen. En een echt democratisch parlement zou vechten en zeggen tegen de uitvoerende macht dat het inhoudelijk van het onderwijs moet afblijven. Nogmaals en voor alle duidelijkheid: de overheid heeft dus wel een rol tegenover het onderwijs. Ze moet bewaken dat onderwijsinstellingen de basisgrondrechten van kinderen en ouders niet miskent. Dit is een complexe en delicate discussie waarbij de rechten van het kind en de ouders het uitgangspunt moeten zijn, en niet de verwachtingen van de samenleving, laat staan de wensen van de overheid.


Dat dit alles niet gebeurt, is onthutsend en verontrustend. En voor mij moest na De Afspraak het ergste nog komen.



Pers, neem je taak op.


Ik was dus tamelijk ontstemd na De Afspraak. Maar dat is met de gesprekken in De Afspraak niet ongewoon. Wat me echter in de pen deed kruipen was dat de minister de democratie totaal onderuit kon halen, zonder een reactie van de pers, de waakhond van de democratie. (Enfin, ik heb toch niets gevonden). Achteraf dacht ik: ‘Tja, misschien is ‘de pers’ het ook allemaal moe. Ze zouden elke dag kunnen schrijven over de afkalving van onze democratie.‘
Maar dat is hun taak! Ik vrees dat Manu Ruys, oud-hoofdredacteur van De Standaard, gelijk heeft toen hij in 2013 schreef: “De huidige media offeren hun politieke bestaansreden op aan het winstbejag van de eigenaars, de platitude van een vulgair publiek en de gemakzucht van een verwende journalistengeneratie.” [9]

Dit alles is –je kan het al raden– onthutsend en verontrustend.




**


Het onderwijsveld zelf




Het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap


Eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat velen niet akkoord zijn met deze analyse. Zo bijvoorbeeld Raymonda Verdyck, de toenmalige Afgevaardigd bestuurder van GO!, het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, in een open brief: “Laat duidelijk zijn dat de discussie over de eindtermen niet ideologisch is en ook niet gaat over de verhouding tussen de netten. […] Eigenlijk gaat het debat alleen hierover: het wordt dringend tijd dat we onze leerlingen de kennis en vaardigheden aanreiken die ze nodig zullen hebben in de 21e eeuw. De nieuwe eindtermen zijn een noodzaak voor de kwaliteit van het onderwijs.“


Het katholiek onderwijs


Lieven Boeve, directeur-generaal van het katholieke onderwijs, licht in onderstaand filmpje toe waarom de raad van bestuur Katholiek Onderwijs Vlaanderen besliste om naar het Grondwettelijk Hof te gaan.





De steinerscholen


Ik heb een reactie op mijn artikel gevraagd aan Werner Govaerts, Coördinerend directeur bij Scholengemeenschap Steinerscholen SO. Hij antwoordde per mail: [Wat je schrijft,] is natuurlijk allemaal waar, maar het is niet ons grootste probleem met de huidige eindtermen. Deze zijn namelijk voor het Secundair Onderwijs opgesteld, waar die leeftijdsgerichtheid toch met wat meer flexibiliteit kan worden gehanteerd. Een discussie over de vraag of de logaritmen nu best in de 10de dan wel in de 11de klas worden behandeld, och ja …


Waar het hem wél over gaat, is iets wat je in je artikel nog veel te weinig belicht. Dat is dat de overheid weliswaar methodevrijheid belijdt, maar deze niet waarmaakt. Het is niet omdat in de memorie van toelichting bij het eindtermendecreet staat dat de methode vrij is, dat dat ook zo is. Zeker niet als je er als overheid voor kiest om die eindtermen op te stellen en te formuleren volgens een zeer strak systeem, namelijk de hervormde taxonomie van Bloom. Die taxonomie is quasi exclusief kennisgericht. (Ze stamt dan ook uit het universitair onderwijs …) Daardoor leent deze taxonomie zich niet om attitudes te beschrijven, eigenlijk zelfs niet om vaardigheden te beschrijven. De pogingen die de steinerscholen in hun gelijkwaardigheidsaanvraag voor de eerste graad hebben gedaan om toch attitudes en vaardigheden in de (eigen) eindtermen in te brengen, werden heel vaak afgekeurd met de argumentatie dat deze ‘niet evalueerbaar’ zijn. In Blooms visie is immers alleen kennis ‘evalueerbaar’.


Eigenlijk gaat het hier dus om een verdoken methode om in het onderwijs alléén nog die doelen na te streven die ‘evalueerbaar’ zijn, waarbij bij nader inzien blijkt dat eigenlijk alleen kennisgerichte doelen ‘evalueerbaar’ worden genoemd.[…] De eigenlijke angel is juist dat het onderwijs gereduceerd wordt tot kennis. Op zich zou het niet erg zijn als eindtermen zich beperken tot het voorschrijven van te leren kennis, maar als het aantal eindtermen en kennisinhouden dat moet bereikt worden zo groot is (als nu het geval is) dat je geen onderwijstijd meer overhoudt om ook nog iets anders na te streven dan kennis, dan bepaal je daar niet alleen een niveau mee, maar leg je daarmee tegelijk een methode en een mens- en maatschappijbeeld op.”



Nog even dit

[1] De eerste versie van deze bijdrage dateert van maart 2021. Ik heb het laten liggen en herschreef het in september 2021. Het fragment is niet meer te zien op de vrt-site.
[2] Arbitragehof 18 december 1996, nr. 76/96, B 4.2 . Zie ook LIEVENS, J., De vrijheid van Onderwijs, p. 421.
[3] Paul Van Orshoven, Het onderwijs is vrij: het recht op onderwijs in het nieuwe artikel 17 van de Belgische Grondwet, in: Jura falconis vol. 1989-1990 p. 505
Je kan het artikel downloaden op de digitale bibliotheek van de faculteit Rechten van de KULeuven.
[4] Ouders die thuisonderwijs organiseren worden dus gestraft. Ze ontvangen voor het thuisonderricht geen enkele financiële steun van de overheid. Ze hebben nochtans ook onderwijskosten, ze betalen ook belastingen,… Kan er iemand eens uitrekenen wat thuisonderricht opbrengt aan de staatskas?
Een regelrechte schande en een indirecte weg om leerplicht om te zetten in schoolplicht.
Men kan dit oplossen onder meer door het invoeren van schoolvouchers (leerrechten, schoolbonnen). Leerlingen, c.q. hun ouders, ontvangen een cfinanciële steun om onderwijs te genieten op door henzelf of hun ouders gekozen onderwijsvorm. Dit kan een onderwijsinrichting zijn en ook thuisonderricht. (Hetzelfde geldt overigens voor kinderopvang, …)
[5] Het decreet is uiteindelijk uitgegaan van 16 sleutelcompetenties (kennis, vaardigheden en attitudes) waaraan de eindtermen worden gekoppeld. Zie KlasCement.
[6] Hans Annoot, Eindtermen niet verzoenbaar met rechtsstaat, in: Klaas Commentaar, II-1 (oktober 1993), p. 2
[7] Het idee van het citaat komt uit de videoregistratie van het recente on-toneelstuk1984: de voorstelling die niet gemaakt werd.’ Met dank aan Flavie Lindemans.
De vertaling komt uit de Nederlandstalige uitgave, Arbeiderspers, 2020, ISDN 9789029543255.
[8] Danielle Allen, Our Declaration. A Reading of the Declaration of Independence in Defense of Equality, Liveright Publishing Corporation, 2015, 9781631490446, p. 25
[9] Manu Ruys, Wij komen van ver maar we zijn er nog niet, in: Kanttekeningen bij 25 jaar Journaal,Journaal, 651, 25 april 2013, p.4976


De aangehaalde boeken zijn te verkrijgen via Barbóék –uiteraard– en de betere boekhandels.