Voor Anselm

 

Banken creëren zelf geld. Het klinkt als een samenzwering, maar het is gewoon boekhouding. We kunnen dit pas begrijpen zodra we één hardnekkige mythe loslaten: dat banken het geld uitlenen van spaarders. Dat beeld is vertrouwd — maar fout. Een bank hoeft geen volle kluizen munten te hebben om geld uit te lenen, om krediet toe te kennen. Wie dit mechanisme eenmaal begrijpt, ziet meteen waarom onze economie draait op schulden. Waarom huizenprijzen de hoogte in schieten. Waarom bubbels steeds groter worden. En waarom we gevangen zitten in een systeem dat alleen op groei kan overleven. Nu al kan gezegd: krediet op zich is geen probleem; problematisch is dat krediet vandaag samenvalt met private geldcreatie zonder publieke begrenzing.

 

Het misverstand: banken zijn geen spaarkluizen

 

Not the nine o’clock news maakte ooit een grappige schets over het geld dat we naar de bank brengen. 

Zo werkt het dus niet. Je zichtrekening is geen schoenendoos en ook geen kluis waarin de bank jouw geld bewaart tot je het terughaalt; juridisch gezien is je zichtrekening wel een schuld van de bank aan jou. Ze hebben beloofd jouw geld te ‘betalen op verzoek’. Die schuld hebben ze tegenover mij, tegenover jou en tegenover alle andere mensen die geld hebben geplaatst op de bank. Tegenover die schulden moeten banken slechts beperkte buffers aanhouden, in de vorm van reserves bij de centrale bank en eigen kapitaal. Dat geeft hen ruime speelruimte om kredieten te verstrekken en daarbij nieuw digitaal bankgeld te creëren. Dat systeem noemen we fractioneel bankieren. Wie dit begrijpt, ziet hoe ons geldsysteem werkelijk functioneert — en waarom de effectieve controle over geldcreatie grotendeels bij private banken ligt [1].

 

Hoe banken geld creëren (stap voor stap)

Eenvoudig uitgelegd creëren banken geld niet door bestaand spaargeld door te lenen, maar door krediet te verstrekken. Ze hoeven dus niet eerst over jouw loon of spaargeld te beschikken om een lening toe te kennen. Dat hardnekkige misverstand verdwijnt zodra je begrijpt wat een banksaldo juridisch is. Neem een alledaags voorbeeld. Wanneer mijn loon van €3.000 op mijn zichtrekening wordt gestort, gebeurt er juridisch dit:

  • de bank noteert: wij zijn Pieter €3.000 schuldig; 

  • dat bedrag verschijnt als banksaldo op de rekening van Pieter.

Dat saldo is geen geld dat ergens in een kluis of schoenendoos ligt, maar een schuld van de bank aan mij. Het wordt vaak voorgesteld alsof dit “mijn geld” is dat de bank kan doorlenen, maar zo werkt het systeem niet.

Het klopt dat banken verplicht zijn een klein deel van hun banktegoeden aan te houden als reserve bij de centrale bank. In de eurozone is dat vandaag amper 1%. Die reserve is echter geen vrij geld dat kan worden uitgeleend, en vormt ook niet de echte beperking op kredietverlening. Banken creëren geld door kredietverlening, maar niet naar believen: hun speelruimte wordt begrensd door kapitaalvereisten, risico-inschatting en regelgeving — niet door een kluis met spaargeld. We gaan verder:
 

Wat gebeurt er dan wel bij een lening?

Wanneer een bank een krediet toekent, leent zij dat geld niet uit. Ze creëert het.
De bank kent Korneel een lening toe van €2.000 en schrijft dat bedrag simpelweg bij op zijn bankrekening.

  • de bank schrijft €2.000 bij op Korneels rekening.
  • dat bedrag bestond één seconde eerder niet.
  • het is nieuw bankgeld, gecreëerd op het moment van de lening.

Er wordt dus geen bestaand spaargeld uitgeleend. Het ontstaat door een boekhoudkundige handeling. In de boekhouding van de bank ziet dat er zo uit:

  • actief: vordering van de bank op Korneel (€2.000 + rente)
  • passief: schuld van de bank aan Korneel (€2.000 op zijn rekening)

Dat ene boekhoudkundige moment creëert tegelijk:

  • een schuld van Korneel aan de bank
  • én nieuw geld in de economie (want Korneel kan dat geld gebruiken in de winkel)

Met deze eenvoudige ingreep ontstaat zo nieuw bankgeld.


Wat dit betekent – en wat niet?

Zo groeit het geld in onze economie: niet door biljetten te drukken, maar door krediet. Mijn oorspronkelijke €3.000 loon is dus niet ‘uitgeleend’. Toch circuleert er nu €5.000 aan bankgeld:

  • €3.000 op mijn rekening
  • €2.000 op die van Korneel

Die vermeerdering gebeurde zonder dat er één euro aan biljetten werd bijgemaakt. Het geld ontstaat via boekhouding, werkt als betaalmiddel in het dagelijkse leven, maar is juridisch gezien geen publiek geld: het gaat om banktegoeden (in bankentaal: deposito’s) — beloften van commerciële banken aan hun klanten, geen euro’s die door de centrale bank zijn uitgegeven [3].

Leningen creëren geld, niet omgekeerd.

Het spreekt voor zich – we hebben er al op gewezen – dat de bank voor en na de kredietverlening aan alle regels moet blijven voldoen: voldoende kapitaal, voldoende liquiditeit en aanvaardbare risico’s. Die regels beperken hoeveel banken kunnen lenen, maar ze veranderen niets aan het kernmechanisme: leningen creëren geld, niet omgekeerd.

 

Wanneer leningen worden terugbetaald verdwijnt het geld

Nog een eigenaardigheid van dit systeem: wanneer een lening wordt terugbetaald, verdwijnt het bankgeld dat ooit bij de lening is ontstaan. De vordering op de actiefzijde van de bankbalans verdwijnt, het saldo op de rekening van de lener krimpt. Dat deel van het geld wordt letterlijk weggeboekt.
De extra bedragen die je bovenop het geleende bedrag terugbetaalt — de rente — verdwijnen niet. Ze vormen een inkomensstroom voor de bank. Die gebruikt dat geld om werknemers te betalen, om aandeelhouders dividenden uit te keren of om opnieuw te investeren. Dat geld circuleert dus verder in de economie, maar het vernietigt geen bankgeld zoals aflossingen dat doen.
Dit systeem creëert een permanente asymmetrie:

  • leningen creëren nieuwe geld;
  • terugbetalingen doen geld verdwijnen;
  • rente blijft circuleren als inkomen.

Dit is overigens niet nieuw. Als student werd me dit al bijgebracht in de lessen Economie aan de KULeuven. Wat wél veranderd is, is de schaal en de rol ervan.

In een groeieconomie verstrekken banken doorgaans meer nieuwe kredieten dan er worden afgelost, waardoor de geldhoeveelheid toeneemt. Dat voedt economische activiteit. Maar zodra de kredietgroei vertraagt of omslaat — wanneer er minder nieuwe leningen worden aangevraagd, terwijl bestaande leningen wel blijven worden terugbetaald — krimpt ook de geldhoeveelheid. Dan dreigt recessie (zie hieronder).

De echte schok zit dus niet in het mechanisme, maar in onze afhankelijkheid ervan: ons geldsysteem functioneert vandaag alleen stabiel zolang er voortdurend nieuw krediet bijkomt. Het is een motor die blijft draaien zolang hij gevoed wordt — en die begint te haperen wanneer veel gezinnen, bedrijven en overheden tegelijk op de rem gaan staan.

 

Van schuldfabriek naar schuldzuiger

Commerciële banken zijn door deze kredietverlening de voornaamste geldscheppers in onze economie. Tussen de 90 en 95% van al het geld dat wij dagelijks gebruiken bestaat uit bankgeld: privaat gecreëerde deposito’s die ontstaan op het moment dat banken leningen verstrekken. In andere woorden: digitale schuldbewijzen van banken.
Dat is een enorme verschuiving: ons monetaire systeem wordt niet langer primair aangedreven door publiek geld van de centrale bank, maar door private kredietverlening.

Dit probleem gaat diep. Ons geldsysteem functioneert als een schuldgenerator die niet mag stilvallen. Er moet voortdurend nieuw krediet bijkomen, anders krimpt de geldhoeveelheid en vertraagt de economie.

Minder krediet = minder geld = recessie. 
Een recessie is een periode waarin de economie krimpt omdat bedrijven, gezinnen en overheden tegelijk op de rem gaan staan. Op zich is dat geen probleem. 
Maar als de rem te hard wordt ingetrapt, krijg je een depressie: een zware, langdurige economische krimp. Bedrijven vallen massaal om, werkloosheid explodeert en samenlevingen komen onder sociale en politieke druk te staan. 
Een recessie is zuurstoftekort; een depressie is een hartstilstand.

Modern kapitalisme: een systeem waarin geld vooral dient om méér geld te maken.

Dus blijft de motor draaien: meer hypotheken, meer bedrijfsleningen, meer consumentenkrediet, meer overheidsschuld. Elk jaar opnieuw worden er meer schulden gecreëerd dan afgebouwd. Niet toevallig: het systeem lééft van uitbreiding. Zonder groei stort het in.

We leven dus in een economie waarin bijna elke euro bestaat omdat iemand zich in de schuld heeft gestoken. Het is een systeem dat werkt zolang het groeit — en instort zodra de groei vertraagt.Dat betekent niet dat schulden op zich problematisch zijn, maar dat ons geldsysteem kwetsbaar wordt wanneer het volledig afhankelijk is van voortdurende kredietgroei om stabiel te blijven. Dit is geen economie meer. Dit is een schuldfabriek die weigert de stekker uit te trekken. Ik denk zelfs dat ze niet eens weten hoe dit kan worden stopgezet.

 

Financialisering: wanneer geld de economie verlaat

Daarmee is het drama nog niet voltooid. Het wordt nog erger. In een gezond systeem zou nieuw geld naar productieve investeringen gaan, onder andere:

  • bedrijven,
  • innovatie,
  • publieke infrastructuur.

Maar vandaag belandt een groot deel van dat nieuwe geld in een parallel universum: de wereld van vastgoed, aandelen, derivaten en financiële producten die losstaan van de reële economie. In Het Verzet noemde ik deze wereld de chremastosfeer, het universum waarin kapitaal loskomt van de echte economie en als een donkere, abstracte wolk boven de maatschappij hangt.

In die sfeer worden winsten niet gebruikt voor productie, innovatie of werk, maar voor waarderealisatie: winst zonder werk, rendement zonder risico, rijkdom zonder bijdrage. En het trickle-down-effect dat ooit beloofde dat rijkdom van boven naar beneden zou “doorsijpelen”, is al lang ontmaskerd als ideologische lucht. “Het trickledowneffect, gepropageerd door Ronald Reagan en gretig overgenomen door conservatives and capitalists, dat is bullshit.”, zei fintech-reus Rob Heyvaert [4]. Financialisering is geen neveneffect van modern kapitalisme. Het is modern kapitalisme geworden: een systeem waarin geld vooral dient om méér geld te maken.

 

De woningmarkt: een spiegel van het systeem

Nergens wordt de spanning in ons geldsysteem zo zichtbaar als op de woningmarkt. Toen wij onze woning kochten — jaren geleden, begin jaren 90 van de vorige eeuw — kon dat nog met één inkomen. Het was moeilijk, maar mogelijk. Vandaag is een huis kopen voor veel mensen een bijna onhaalbare opdracht. Uiteraard spelen meerdere factoren mee in de stijgende woningprijzen: lage rentevoeten, fiscale voordelen, schaarste aan bouwgrond, demografie en het klassieke spel van vraag en aanbod.

Maar wie die factoren samen bekijkt, ziet iets anders: ze werken allemaal in dezelfde richting omdat ze draaien op krediet. Mijn stelling is dan ook niet dat vraag en aanbod er niet toe doen, maar dat de diepere motor achter de woninginflatie het schuldgedreven geldsysteem zelf is. Lage rente vergroot de leencapaciteit, banken creëren meer krediet, prijzen volgen — en zo wordt wonen steeds meer een financieel product [5]. 

Natuurlijk is krediet meestal nodig om een woning te kopen. Maar wanneer steeds meer krediet nodig is om dezelfde woning te betalen, is dat geen oplossing meer, maar het probleem zelf.

De woningmarkt is geen gewone markt meer, maar een spiegel van een economie waarin geld vooral ontstaat via schulden, en waarin vastgoed het ideale vehikel is om dat geld in onder te brengen. Onze woningen hangen aan een omgekeerd infuus bij de banken: geen zuurstof die binnendruppelt, maar rente die constant wegstroomt. Dat is niet nieuw. Het huis waarin ik vandaag woon, is al vier keer door opeenvolgende eigenaars afbetaald — telkens opnieuw via een hypotheek, telkens opnieuw met rente erbovenop. Iedere koper betaalt daardoor niet alleen de waarde van het huis, maar ook de schuld van de vorige eigenaar. Die wil uiteraard zijn investering recupereren.

Onze woningen hangen aan een omgekeerd infuus bij de banken. © Peter Droeshout


Wanneer een bank een hypothecaire lening verstrekt, verdient ze aan de rente én creëert ze tegelijk nieuw geld. Die geldcreatie is geen extra winst op zich, maar het mechanisme dat banken in staat stelt hun kredietverlening — en dus hun verdienmodel — uit te breiden.

 

Vastgoed is dus de ideale bankmachine

Voor banken is een hypotheek aantrekkelijk: ze is goed gedekt (de woning als onderpand), langlopend en winstgevend (rente-inkomsten). Daarom stroomt een groot deel van het nieuw gecreëerde geld naar vastgoed. Dat zet een zelfversterkende dynamiek in gang:

  • meer krediet → meer kopers → hogere prijzen
  • hogere prijzen → grotere hypotheken
  • grotere hypotheken → meer geldcreatie
  • meer geldcreatie → opnieuw hogere prijzen

Vastgoed wordt zo een financieel draaipunt. Woningen functioneren steeds minder als gebruiksgoed en steeds meer als financieel product: als belegging, als onderpand, als inflatieschild. Het gevolg is een structurele herverdeling van geld van huurders naar eigenaars, en van jonge gezinnen naar gevestigde vermogens. Voor steeds meer mensen wordt wonen onbereikbaar.

Trouwens, wat hier gebeurt, staat niet op zichzelf. Dezelfde schuldlogica duikt vandaag ook op buiten de woningmarkt. Via private equity, vastgoedfondsen en andere investeringsvehikels worden landbouwbedrijven, zorginstellingen, woonzorgcentra, energiebedrijven en praktijken opgekocht met geleend geld.Het geld dat deze sectoren opbrengen, gaat daarna naar schuldaflossing en winst voor investeerders.

Dit is geen vastgoedmechanisme, maar een bredere financiële logica. Economische macht verschuift van beroepsgroepen en lokale gemeenschappen naar financiële spelers, terwijl lokaal gegenereerde waarde wegvloeit naar een kleine bovenlaag. Schuld wordt zo een extractiemechanisme: eerst in het geldsysteem zelf, daarna in sectoren die ooit buiten de financiële logica stonden.
 

De echte oorzaak: een geldsysteem dat zichzelf leegzuigt

Terwijl dit gebeurt, bespaart de overheid op werkloosheid, zorg, cultuur en publieke dienstverlening — alsof dáár het probleem zit. We leven in een systeem dat rijkdom concentreert aan de top, en de kosten doorschuift naar beneden. Het wrange is dat dit meestal volledig legaal gebeurt. Geen schandaal, geen fraude, geen valiezen vol met geld  — maar een economische architectuur die structureel waarde wegzuigt uit de reële economie en herverdeelt naar financiële spelers. De echte fout zit dan ook niet bij individuele ontsporingen, maar in de architectuur van ons geldsysteem zelf.

  • geldschepping is grotendeels geprivatiseerd;
  • het betalingsverkeer is in handen van private spelers;
  • kredietverlening bepaalt hoeveel geld er in omloop komt;
  • en financiële producten groeien vanzelf mee naarmate er meer geld in het systeem bijkomt.

Dat betekent niet dat extractie nieuw is. Ook in economieën met publiek, gematerialiseerd geld — zoals munten en bankbiljetten — bestonden vormen van afroming, via belastingen, pacht of rente. Wat wél nieuw is, is dat dit vandaag ingebouwd zit in het geldsysteem zelf. Schuldcreatie en financiële producten zorgen ervoor dat waarde automatisch wordt weggezogen uit de reële economie, zonder dat daar telkens nieuwe productie tegenover staat.

De systemische fout zit dus niet bij individuele spelers, maar in een geldarchitectuur die extractie normaal maakt, schaalbaar maakt en voortdurend laat meegroeien met het systeem zelf.
 

Naar een gezonde economie: 
functies scheiden

De bank zoals wij die vandaag kennen — één instelling die geld bewaart, betalingen verwerkt, kredieten verstrekt én tegelijk geld creëert — is geen natuurwet. Het hebben van meerdere functies is een historisch gegroeide constructie. Ze is tot stand gekomen via institutionele keuzes, fusies en deregulering, niet omdat het economisch onvermijdelijk was of democratisch zo werd beslist.

Lange tijd werden deze functies als onderscheiden rollen gezien. Het bewaren van geld, het organiseren van betalingen, het verstrekken van krediet en het creëren van geld waren geen vanzelfsprekende combinatie. Geldschepping werd daarbij opgevat als een publieke aangelegenheid, verbonden met soevereiniteit en algemeen belang.

Vandaag zitten al die functies onder één dak. Precies dat maakt het systeem kwetsbaar. De instellingen die het meest verdienen aan kredietverlening beschikken ook over de macht om geld te creëren. Meer krediet betekent niet alleen meer inkomsten, maar ook meer geld in omloop. Zo ontstaat een structurele prikkel tot groei — zelfs sneller dan de reële economie kan volgen.

Zolang geldschepping en kredietverstrekking in dezelfde handen blijven, komen private risico’s haast onvermijdelijk bij de samenleving terecht. In goede tijden zijn de winsten privaat; in slechte tijden wordt door de overheid vaak ingegrepen om systeemfalen te vermijden. Dat spanningsveld zagen we in de financiële crisis van 2008, in de eurocrisis en bij herhaalde vastgoedzeepbellen en bankcrisissen. Niet als complot, maar als gevolg van hoe het systeem werkt.

Dat betekent niet dat kredietverlening geen plaats heeft in een markteconomie. Integendeel: risico nemen, investeren en lenen kunnen perfect commerciële activiteiten blijven, met bijhorend rendement én verlies. Maar geldschepping en de basisinfrastructuur van het betalingsverkeer horen thuis in het publieke domein — net als drinkwater, elektriciteit, spoorwegen of digitale identiteit. Het zijn fundamenten van het maatschappelijke leven, geen handelswaar [6].

Toen ik jaren geleden bij een Belgische bank suggereerde om die functies opnieuw van elkaar te scheiden, werd het idee onthaald met ongeloof. Niet omdat het radicaal was, maar omdat men zich nog nauwelijks kon voorstellen dat het ooit anders was geweest. Het huidige model werd als vanzelfsprekend beschouwd.

Als we dit ernstig nemen, is de consequentie duidelijk: haal geldschepping en de basislaag van het betalingsverkeer weg uit de logica van private schuld en financiële extractie. Laat banken doen waar ze sterk in zijn — risico analyseren en krediet toekennen — en geef de samenleving opnieuw controle over haar eigen geldbasis.

In België — net als in de rest van de eurozone — hoeven banken vandaag slechts 1% van hun kortlopende verplichtingen als reserve aan te houden. Op €100 miljard aan deposito’s staat dus maar €1 miljard in reserve als publiek geld. Een eerste stap richting een stabieler systeem is het versterken van die buffers: 5%, 10%, 20%… De logica kan uiteindelijk uitkomen bij een volledige scheiding tussen geld en krediet — full reserve banking. 100% reserve dus. Niet als dogma, maar als richtingwijzer voor een geldsysteem dat opnieuw in dienst staat van de samenleving [7].

 

Full reserve banking (100% dekking)

In theorie is dit het ideale model:

  • elke euro op een rekening is volledig gedekt door publiek geld;
  • banken kunnen alleen krediet verstrekken met middelen van spaarders/beleggers;
  • geldschepping wordt weer een publieke taak.

100% reserve is bij ons politiek onhaalbaar. Niet omdat het economisch fout zit, maar omdat het de kernmacht van banken onderuit haalt. En niemand weet daarenboven precies hoe de transitie zou verlopen. Volledig reservebankieren maakt het systeem veiliger maar ook strakker: krediet kan schaarser en duurder worden, banken verliezen flexibiliteit, en een slecht uitgevoerde overgang kan schaduwbankieren [8] versterken. Het is stabiliteit in ruil voor soepelheid — een compromis dat politiek moeilijk ligt.
 

Narrow banking (haalbaar en verstandig)

Er bestaat een werkbaar alternatief: een pragmatische scheiding tussen een publiek veilig betaalverkeer en een private, risicodragende kredietverlening. Dat heet narrow banking. In zo’n model beheren banken nog wel deposito’s en betalingen, maar mogen ze géén krediet meer verstrekken. Ze houden uitsluitend veilig, risicoloos geld aan — volledig gedekt door centrale-bankreserves. Dat deel kent dus een full reserve banking.

Krediet verschuift dan naar instellingen die werken met geld van beleggers of spaarders die bewust risico willen nemen. Hier kunnen private bankers, family offices en private equity-structuren een zinvolle rol spelen: niet als geldmakers, maar als kredietverdelers voor mensen en organisaties die risico wíllen en mogen nemen [9].

Het is geen revolutie. Dit is niet vijandig tegenover de banken maar gezond verstand. Het is de sanering van een ontspoorde structuur:

  • risico blijft in de private sfeer;
  • basisinfrastructuur wordt publiek;
  • vastgoed- en schuldbubbels worden afgeremd;
  • bankruns verdwijnen.

Het idee om banken op te splitsen in een veilige betaalinstelling en een commerciële kredietsector klinkt radicaal, maar past in een lange traditie waarin overheden tussenkomen wanneer een bedrijfstak té machtig of té risicovol wordt. In de Europese energie en telecom bijvoorbeeld werd ‘unbundling’ verplicht: infrastructuur moest gescheiden worden van commerciële diensten. Het principe is telkens hetzelfde: waar infrastructuur én risico onder één dak zitten, ontstaan machtsconcentratie en systeemgevaar. Het scheiden van geldschepping en kredietverlening past precies in dat historische patroon.
 

Geld als publiek goed

De Amerikaans-Kazachse juriste Saule Omarova gaat nog een stap verder. Ze stelt de vraag: als geld zó essentieel is voor de samenleving, waarom laten we dan de private sector beslissen waar krediet naartoe stroomt? Haar visie:

  • geld is een publiek goed;
  • kredietverlening moet maatschappelijke doelen dienen;
  • publieke investeringsinstellingen kunnen infrastructuur, woningen, energieprojecten financieren zonder afroming (extractie);
  • burgers krijgen een rekening bij de centrale bank.

Niet de markt, niet de technocratie, maar het sociale wordt opnieuw de maatstaf. Geld wordt geen instrument van rendement, maar van zorg en gemeenschappelijkheid. Het is een krachtig idee, dat frontaal ingaat tegen het huidige schuldgedreven systeem. Niet de markt, niet de staat als afstandelijke beheerder, maar het intermenselijke krijgt opnieuw richtinggevende kracht. “De overschotten die wij samen creëren — leraren, zorgverleners, ambtenaren, ondernemers, ouders, kunstenaars, bankiers … — moeten beschikbaar blijven voor ons allemaal,” schreef ik in een eerdere bijdrage in Het Verzet.

Wat hier bijzonder aan is, is dat zo’n benadering de samenleving niet laat sturen door de markt, maar ook niet door een louter technocratische overheid. Ze organiseert het sociale zelf opnieuw als dragende laag. Dat idee is niet nieuw. Het sluit aan bij een lange, grotendeels vergeten traditie van coöperatieve en publieke kredietvormen, waarin geld expliciet werd verbonden met gemeenschap, wederkerigheid en lokaal gebruik. Dat die modellen in België en elders sterk zijn teruggedrongen, zegt minder over hun maatschappelijke waarde dan over de omgeving waarin ze moesten functioneren. Onder invloed van schaalvergroting, concurrentiedruk en steeds strengere regelgeving is het financiële systeem de voorbije decennia ingericht rond rendement, efficiëntie en kapitaalconcentratie. In zo’n context worden alternatieve kredietvormen niet verboden, maar wel structureel bemoeilijkt: ze krijgen minder ruimte, hogere drempels en kleinere marges.

Recente pogingen om dat sociale kredietmodel nieuw leven in te blazen tonen die spanning. Initiatieven zoals NewB botsen niet op een gebrek aan engagement of legitimiteit, maar, denk ik, op een institutionele omgeving die ontworpen is voor grote commerciële spelers, met zware kapitaalvereisten en smalle marges voor alternatieve modellen. Dat suggereert dat het knelpunt niet alleen ideologisch is, maar vooral in de institutionele en architecturale inrichting van het geldsysteem ligt.

Toch is een alternatief concreet denkbaar. Een gemeente zou met publiek krediet bijvoorbeeld zonnepanelen kunnen installeren op alle geschikte daken, ondergebracht in een coöperatie waarvan bewoners mede-eigenaar zijn. De overheid wordt in de eerste jaren terugbetaald via de opbrengst van de energie; daarna vloeit de winst terug naar de lokale gemeenschap. Geen extractie, geen externe aandeelhouders, maar lokale financiering, lokaal eigenaarschap en collectieve waardecreatie.
 

Tenslotte: tijd om de geldkraan terug te winnen

We kunnen niet langer doen alsof geld een neutraal hulpmiddel is. Geld is een vorm van macht. Geld is politiek. Wie de geldkraan beheert, beheert de voorwaarden van het leven. Ons huidige systeem:

  • maakt schulden,
  • pompt waarde buiten de echte economie,
  • creëert bubbels,
  • en laat burgers opdraaien voor private risico’s.

Het wordt tijd dat we de macht over het geld terugnemen, vóór die macht volledig privatiseert. De oplossing is niet radicaal of revolutionair. Ze is eenvoudig: behandel geld als infrastructuur, geen handelswaar. Krediet mag een commerciële activiteit blijven, maar geldcreatie is een nutsfunctie — een basisinfrastructuur zoals water, wegen of elektriciteit. In zo’n model betekent creëert commerciële kredietverlening geen nieuw geld meer. Kredieten worden dan verstrekt met bestaand publiek geld of met middelen van spaarders en beleggers die bewust risico willen nemen. Niet-publiek geld ontstaat dus niet automatisch, maar alleen waar expliciet risico wordt gedragen. Geldcreatie en kredietverlening vallen institutioneel uiteen.

Om geld te kunnen herdenken, moeten we de architectuur van geld helder zien: Welke soorten geld bestaan er? Wie beheert ze? En waarom zijn ze zo ongelijkwaardig? En daarover gaat deel 3: de architectuur van het geld.
 

Nog even dit

[1] Een zicht op de wereld van het grote geld vind je op een gedetailleerde kaart van het geldwezen: Het waterwerk van ons geld. Carlijn Kingma, Thomas Bollen, Martijn Van der Linden, “Geld bepaalt alles, maar bijna niemand snapt het. Reis door onze kaart en ontdek hoe ons geldstelsel in elkaar zit.”, in: Follow the money, 15 oktober 2022.

[2]  Een goede Nederlandstalige tekst over geldschepping: Philip Ruijs, De Problematiek van de Girale Geldschepping in 10 Stappen, in: Mises Instituut Nederland, 7 november 2020
 
Een gedetailleerd meer technische toelichting vind je in een paper van de bank of England: Michael McLeay, Amar Radia en Ryland Thomas, Money creation in the modern economy, Bank of England, Quarterly Bulletin 2014 Q1. Ze spreken ook over QE (quantitative easing - kwantitatieve versoepeling), het massaal opkopen van financiële activa door de centrale bank met nieuw gecreëerde reserves ter ondersteuning van de economie. Die reserves circuleren tussen banken en komen niet terecht bij burgers of bedrijven. Daarom behandel ik quantitative easing niet in mijn bijdrage. 
QE is wel bijzonder boeiend omdat het de complexiteit van monetair beleid toont. Want sinds deze massale opkoopprogramma’s zitten commerciële banken met enorme hoeveelheden overtollige reserves bij de centrale bank. Op die reserves krijgen ze rente, miljarden aan risicoloze inkomsten, enkel omdat ze reserves aanhouden die de centrale bank zélf heeft gecreëerd. In wezen verandert de overheid zo haar eigen goedkoop gefinancierde schuld ongewild in dure kortetermijnschuld, waarvan de rente rechtstreeks naar banken vloeit. Volgens De Grauwe is dat economisch niet te verantwoorden: het is een verborgen publieke subsidie aan private banken, ontstaan uit het ontwerp van het huidige monetair beleid, niet uit noodzaak.
Paul De Grauwe, Yuemei Ji, Towards monetary policies that do not subsidise banks, CEPS, 2023

[3] Belgische gezinnen houden samen ongeveer €370 miljard aan banktegoeden aan. Bij een verplichte reserve van 1% betekent dit dat banken ongeveer €3,7 miljard aan reserves moeten aanhouden — als stabiliteitsbuffer, niet als geld dat kan worden uitgeleend

[4] Rob Heyvaert, managing partner van Motive Partners, een investeringsmaatschappij die zich richt op fintech-bedrijven, Johan Faes, “Je kan de wereld niet veranderen vanuit België“, in: De Standaard, 24 oktober 2015

[5] Zie: Jordà, Ò., Schularick, M., & Taylor, A. M. . “Leveraged bubbles”, in: Journal of Monetary Economics, 2015, 76(S), S1–S20.

[6] Het idee om krediet los te koppelen van geldschepping is oud: van het Chicago Plan (Fisher) tot voorstellen van Friedman en Tobin, en recent van economen als Martin Wolf en Stiglitz. Zij zien in de scheiding tussen publieke geldlaag en private kredietsector een manier om het financiële systeem stabieler, transparanter en democratischer te maken.

[7] Zie hierover het recente en hoogst leesbare boek: Thomas Bollen, Geld genoeg, maar niet voor jou. Hoe heroveren we de macht over ons geld?, 2025, Follow the Money, 9789083398679. Dit boek is trouwens een onuitputtelijke bron geweest voor deze artikelenreeks.
 

[8] Schaduwbankieren zijn alle vormen van krediet en risico-opbouw die buiten het bankentoezicht plaatsvinden — de onzichtbare kant van het financiële systeem waar de grootste kwetsbaarheid kan ontstaan: private-equityfondsen, hedgefondsstructuren, fintechkredietgevers … maar ook leasing- en factoringmaatschappijen en grote techbedrijven die betalings- of kredietfuncties aanbieden (bijv. ApplePay, PayPal). 
Toen de kredietverlening tussen banken en schaduwbanken (subprime-hypotheken) in 2008 opdroogde, barstte de grootste financiële crisis van de eeuw los. Zie, Thomas Bollen, idem, p. 173 e.v.
 

[9]  In 2018 verplichtte de Chinese centrale bank (PBoC) betaalplatformen zoals Alipay en WeChat Pay om klantentegoeden volledig (100%) bij de centrale bank aan te houden. Het gaat hier niet om kredietinstellingen, maar om betaalinstellingen. Juist daarom is dit relevant: het toont dat betalingsverkeer kan functioneren zonder krediet en zonder geldschepping. Beleggingsproducten zoals Yu’e Bao werden ondergebracht in aparte structuren, los van de bankbalans.
Zie Thomas Bollen, idem, p. 220-221.