IN 1911 SCHREEF KANDINSKY over vorm: “Dus moet als laatste conclusie worden getrokken dat het niet zo belangrijk is of een vorm persoonlijk is of nationaal, of dat hij stijl heeft; of hij al dan niet behoort tot de grote hedendaagse stromingen; of hij al dan niet gerelateerd is aan vele of aan weinige andere vormen; of hij al dan niet op zichzelf staat: in de kwestie van de vorm is het belangrijkste of hij al dan niet ontstaan is uit de innerlijke noodzaak. . . .” En hij voegt er nog veelzeggend aan toe: “Hoe groter het tijdperk –dat wil zeggen, hoe groter (kwantitatief en kwalitatief) het streven naar het spirituele– hoe rijker in aantal de vormen worden.”


Ik vind deze quote een goede start om een boeiend boek te bespreken: Parliament, het prachtige boek, in 2016 uitgegeven door XML, een creatief bureau in Amsterdam voor architectuur, stedenbouw en onderzoek.
De auteurs, David Mulder van der Vegt en Max Cohen de Lara, onderzochten gedurende jaren de architectuur van de parlementaire plenaire vergaderruimtes van de 193 leden van de Verenigde Naties. Ze vroegen zich af hoe deze architecturale ruimtes werken. Kunnen eventuele tekortkomingen van ons politiek systeem teruggebracht worden tot het fysieke van de ruimtes waar politiek wordt bedreven?
Dat lijkt een triviale vraag, maar is het niet. Architectuur is enerzijds een uitdrukking van een taak (form follows function), maar tegelijkertijd heeft architectuur invloed op de taak zelf (function follows form). De wijze waarop je een gebouw construeert of een lokaal inricht heeft invloed op de interactie tussen mensen. Vandaar dat er bijvoorbeeld in heel wat scholen geëxperimenteerd wordt met de opstelling voor het lesgeven. Politieke beslissingen worden dus genomen in een omgeving die een specifieke architecturale setting heeft. Daarover gaat dit boek.


Voor het eerst kan je een vergelijking maken van alle nationale parlementen.

Georganiseerd als een woordenboek, van Afghanistan tot Zimbabwe, toont het boek het grondplan voor elk van de plenaire vergaderruimtes en de locatie ervan binnen het groter gebouw. Het publiceert per parlement ook een aantal cruciale gegevens: de typologie, het bouwjaar, de architect, het aantal zetels, het aantal politieke partijen, ….
De auteurs eindigen het boek met boeiende overzichten volgens typologie, graad van democratie, bouwjaar, aantal zetels, …
Voor het eerst kan je een vergelijking maken van alle nationale parlementen in de wereld. Uiteraard zijn er grote verschillen te bemerken tussen diverse parlementen. Dat kan ook niet anders: een plenaire vergadering met 14 personen (Micronesia) is iets anders dan een plenaire vergadering met 2987 personen (China).



Vijf verschillende typologieën


Binnen die grote verschillen tussen landen, culturen, politieke regimes, … distilleerden de auteurs toch vijf verschillende grondvormen voor deze parlementaire vergaderruimtes:


DE TEGENOVERLIGGENDE BANKEN (opposing benches), afgeleid van het middeleeuwse Engels koninklijke hof;

DE HALVE CIRKEL (semicircle), de neoclassicistische vorm, voor 19e-eeuwse Europese natiestaten, geïnspireerd door het Grieks-Romeinse theater;

HET HOEFIJZER (horseshoe), een hybride vorm van de tegenoverliggende banken en de halve cirkel;

HET KLASLOKAAL (classroom), het vaakst te vinden in autoritaire landen;

DE CIRKEL (the circle), de meest zeldzame vorm en gebaseerd op de eeuwenoude IJslandse Althing.

Het boek eindigt met vijf boeiende overzichten: volgens typologie, graad van democratie, bouwjaar, aantal zetels en aantal inwoners per zetel. (Pagina uit de democratische index.)

Deze relatieve homogeniteit vinden de auteurs terecht merkwaardig. Het wijst volgens hen op een systematisch gebrek aan innovatie. Terwijl de wereld buiten de muren van de parlementen onherkenbaar veranderde, ageren en reageren parlementen op deze veranderingen immers vanuit een 19e-eeuwse setting.


De fundamentele wijzigingen zijn echter niet min: de afstand tussen macht en individu is drastisch verkleind; democratie (‘heerschappij van het volk’) is een vaste waarde geworden in de 20ste eeuw (zie ook mijn bijdrage over zelfrepresentatie); er zijn multinationale bijeenkomsten gekomen (VN, Europa,…); er worden beslissingen genomen op een hyperlokaal niveau (grassroots-beweging); de massamedia hebben een immense opgang gekend (radio, televisie, social media, …), enzovoort.


Maar onze parlementen zijn nagenoeg hetzelfde gebleven, als proces én als fysieke ruimte. “Eenmaal gebouwd, zitten parlementen verankerd in de tijd.”
Zo merken ze op dat de parlementen reageren op de toegenomen complexiteit van de politiek door steeds meer vergaderruimtes aan hun gebouwencomplexen toe te voegen. Aan de ‘heilige’ plaats, de plenaire vergaderruimte, mag niet worden geraakt. Dit bevordert echter de uitholling ervan. We zijn via de televisie getuige van debatten met halflege zalen. Dit verlaagt de transparantie en verhoogt het wantrouwen.


De diepgaande technologische en maatschappelijke veranderingen “hebben de ruimte voor het politieke debat uitgebreid en getransformeerd.” In plaats van na te denken over de gevolgen hiervan, blijven de parlementaire rituelen ongewijzigd, ouderwets en op zichzelf gericht. In plaats van te experimenteren met nieuwe technologieën en nieuwe vormen van democratische processen, naar buiten gericht, raken parlementen amper niet verder dan het publiek uit te nodigen voor hoorzittingen of de parlementaire handelingen uit te zenden op de televisie. Maar zeg nu zelf: wie kijkt er naar vlaamsparlement.tv?


Kan architectuur deliberatieve ruimtes creëren die doen wat ze moeten doen.

Parlementen zijn ontstaan ​​als representaties van een gecentraliseerde macht. En dat zijn ze nog altijd. De dominante typologieën blijven bestaan “als visies op het verleden en als verankeringen van de status quo”. De auteurs houden een pleidooi om onze modellen voor collectieve besluitvorming te herbekijken. Het is hoog tijd dat we de democratie in al zijn volheid gaan beschouwen. De auteurs roepen “het potentieel van de architectuur” op om de politieke processen vorm te geven vanuit het heden in plaats vanuit het verleden. Kan architectuur deliberatieve ruimtes creëren die doen wat ze moeten doen: mee vorm geven aan de toekomst.


Tot wat voor soort burgerschap worden burgers uitgenodigd?

Ik zie hierbij een dubbele opdracht:
TEN EERSTE:
geef de plenaire vergaderruimte van het parlement zijn ereplaats terug.
Smeed de ruimte om tot een levende plaats voor de representatieve democratie, een ruimte waar burgers, en niet functies (partijleden), elkaar kunnen ontmoeten voor het uitvoeren van hun maatschappelijke opdracht. De auteurs stellen bijvoorbeeld voor om de ‘heilige stoelen’ weg te halen en nieuwe ontwerpen te maken waardoor de ruimte tot leven kan komen volgens de veranderende politieke dynamiek, bijvoorbeeld met stoelen die flexibel kunnen worden ingezet. De auteurs voegen er dus een zesde, interessante typologie aan toe: de lege ruimte of –meer dynamisch– de telkens opnieuw in te vullen ruimte.


TEN TWEEDE:
bevestig democratie als een alomtegenwoordige, nooit eindigende dynamiek.
Ik roep architecten op om mee na te denken over hoe we publieke ruimtes kunnen creëren die het debat faciliteren, aanzwengelen en de burgers uitnodigen (zelfrepresentatie) om deel te nemen aan het maken van wetten.

De ‘innerlijke noodzaak’ bij beide opdrachten is de zoektocht naar de kern van democratie: tot wat voor soort burgerschap worden burgers uitgenodigd?



Nog even dit

Max Cohen de Lara, David Mulder van der Vegt, Parliament, XML, 2016, 978-90-90297-64-4
Uiteraard te verkrijgen via Barbóék en de betere boekhandels.


Ze hebben ook een website www.parliamentbook.com met extra informatie zoals foto's van de vele vergaderruimtes.