
Voor Christof Grootaers
LAAT ONS BEGINNEN met een eenvoudige vraag: hebben dieren rechten als er geen mensen meer zijn? Die vraag raakt aan de kern van dit artikel.
Mijn antwoord is tamelijk rechtlijnig. Rechten treffen we niet in de natuur aan. Ze ontstaan pas wanneer mensen normen vastleggen, erkennen en beschermen. Zonder mensen verdwijnen ook rechten. Onze verhouding tot dieren is niet in de eerste plaats juridisch, maar ethisch.
Daarom spreek ik liever over menselijke plichten tegenover dieren dan over dierenrechten. Zoals zal blijken, gaat dit artikel dus niet over de vraag of dieren rechten hebben, maar over een andere vraag: wanneer wordt menselijk handelen wreed?
Terug naar het gedicht van Rilke.
De wereld van de panter
Der Panther Im Jardin des Plantes, Paris.
Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, dass er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gebe
und hinter tausend Stäben keine Welt.
Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein grosser Wille steht.
Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf -. Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille –
und hört im Herzen auf zu sein.
De panter “Jardin des Plantes” - Parijs.
Zijn blik is van het langsgaan van de stangen
zo moe geworden dat hij niets meer ziet.
Wel duizend stangen houden hem gevangen
en meer dan duizend stangen is er niet.
De zachtheid van zijn lenig sterke pas,
die steeds de allerkleinste ring beschrijft,
is als een dans van kracht rondom een as
waarin een machtig willen is verstijfd.
Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op. Dan gaat een beeld erdoor naar binnen,
glijdt door het van spanning stille
lijf naar zijn hart - en gaat teloor.
Vertaald door Peter Verstegen
Opmerkelijk in deze context is niet zozeer wat Rilke schrijft, maar wat hij niet schrijft. Nergens eist hij vrijheid voor de panter. Nergens spreekt hij over de rechten van de panter. Hij kijkt en ziet een dier dat niet alleen opgesloten zit, maar geleidelijk zijn wereld verliest. De tralies worden de werkelijkheid. Af en toe dringt nog een beeld door, maar het dooft onmiddellijk uit: “glijdt door het van spanning stille lijf naar zijn hart - en gaat teloor”. De tralies nemen hem niet alleen zijn vrijheid af; zij nemen hem zijn wereld af.

Dat is de diepere betekenis van het gedicht. De panter lijdt niet alleen omdat hij gevangen zit. Hij lijdt omdat hij niet langer panter kan zijn. Daarmee reikt Rilke ons een criterium aan voor wreedheid: wreedheid begint waar een levend wezen zijn eigen wijze van bestaan wordt ontnomen.
Wreedheid begint waar een levend wezen niet langer kan zijn wat het is.
Van lijden naar plichten
Aan het einde van de achttiende eeuw stelde de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) een beroemde vraag: kunnen dieren lijden? Hij vroeg zich niet af of dieren kunnen redeneren of spreken. Daarmee wilde hij duidelijk maken dat de morele betekenis van dieren niet afhangt van hun verstandelijke vermogens, maar van hun kwetsbaarheid voor pijn en leed.
Bentham spreekt de taal van het lijden; Rilke van zijn kant spreekt de taal van het verlies. De een vraagt wat een dier voelt, de ander toont wat een dier verliest. Hun uitgangspunt verschilt, maar beiden wijzen in dezelfde richting: dieren zijn moreel relevant omdat ze lijden.
Peter Singer (1946) bouwde daarop voort. Dierenleed mag volgens hem niet minder zwaar wegen enkel omdat het om dieren gaat. Tom Regan (1938–2017) ging nog verder en beschouwde dieren als subjects-of-a-life, dragers van een eigen levenswereld en daardoor van rechten [2].
Toch ligt voor mij de kern elders. Niet in de vraag welke rechten dieren hebben, maar in de vraag wat wij hun verschuldigd zijn. Hier sluit ik aan bij Simone Weil als ze stelt dat plichten voorafgaan aan rechten. Een wezen hoeft geen rechten te formuleren of op te eisen om plicht op te roepen. Soms volstaat zijn kwetsbaarheid.
Dat geldt ook voor dieren. Zij spreken niet de taal van het recht. Maar zij kunnen wel lijden. En precies daarom rust er verantwoordelijkheid op ons [3].
Tragiek en wreedheid
De Duitse filosoof Markus Gabriel [4] wijst erop dat de mens niet buiten de natuur staat als een rechter die over haar oordeelt. Ook wij zijn lichamelijke, kwetsbare en sterfelijke wezens. Wij herkennen het lijden van dieren omdat ook wij bestaan in een zelfde kwetsbare en sterfelijke conditie. En precies daar verschijnt het verschil tussen mens en dier.
Een marter die een kip doodt, begaat geen misdaad. Een koekoek die een ei uit het nest duwt, handelt niet wreed. Dergelijke gebeurtenissen behoren tot de tragiek van het leven. De mens deelt in de tragiek van het leven, maar hij is daarenboven verantwoordelijk voor wat hij er bewust aan toevoegt: opsluiting, uitbuiting, vernedering en vermijdbaar leed.

Wreedheid ontstaat wanneer de mens zich bewust is van het feit dat hij vermijdbaar leed veroorzaakt en desondanks doorgaat. Niet het bestaan van lijden vormt het hart van de ethische vraag, maar de menselijke toevoeging van vermijdbaar leed. De natuur kent tragiek. Alleen de mens kan wreed zijn.
Mens en dier
Vanuit dit perspectief wordt ook het verschil tussen mens en dier duidelijker, en daarmee de bijzondere verantwoordelijkheid van de mens.
Kwetsbaarheid roept bij de mens plichten op. Zij roept de plicht op dieren dier te laten zijn. Zij roept ook de plicht op om mensen mens te laten zijn. Bij de mens krijgt deze verantwoordelijkheid een bijzondere gestalte. Wij leven als lid van een gemeenschap van taal, geschiedenis, cultuur en verantwoordelijkheid. Daarom bestaat de plicht ieder mens in staat te stellen mens te worden én mens te zijn. Deze gedachte sluit aan bij wat ik elders over mensenrechten schreef [5].
Net als dieren nemen pasgeborenen en jonge kinderen nog niet actief deel aan de menselijke gemeenschap. Toch behoren zij er vanaf het begin toe. Zij doen een beroep op ons als kwetsbare lichamen én als mensen die nog moeten uitgroeien tot zelfstandige deelnemers aan die gemeenschap. Daarom hebben kinderen niet alleen lichamelijke bescherming nodig, maar ook opvoeding, taal, onderwijs en de mogelijkheid zich als mens in de gemeenschap te ontwikkelen.

Verantwoordelijkheid zonder rechten
Hebben dieren rechten als er geen mensen bestaan? Neen. Rechten behoren tot de menselijke wereld. Zonder mensen verdwijnen ook rechten. Wat blijft, zijn onze plichten tegenover kwetsbare levende wezens. Dat doet niets af aan het morele appèl dat uit de kwetsbaarheid van dieren spreekt.
Dat is uiteindelijk de les van Rilkes panter. Het lijden schuilt niet alleen in de tralies die de panter gevangen houden, maar vooral in de wereld die hem wordt ontnomen. Wreedheid begint waar een levend wezen niet langer de mogelijkheid krijgt te zijn wat het is. Een dier respecteren betekent het in zijn eigen levensvorm te laten bestaan. Wie een wereld afneemt, veroorzaakt meer dan pijn: hij ontneemt een wezen zijn wijze van bestaan. Dat is wreedheid.
Nog even dit
[1] Het gedicht van Rainer Maria Rilke, Der Panther, werd oorspronkelijk gepubliceerd in Neue Gedichte (1907);
Nederlandse vertaling van Peter Verstegen staat in Rainer Maria Rilke, Nieuwe gedichten. Een bloemlezing. 2021, Rainbow Pockets, 9789041741189
Bij de video van Kentridge:
“There’s a line in the Rilke poem ‘The Panther’ where he talks about the panther going up and down, backwards and forwards in front of the bars; the translation that always sticks in my head is “like a dance of strength around a middle / where a mighty will was put to sleep”.
That centre is a gap, terrain that I don’t always try to go through, but the work happens around it.
The only way I can talk about it, is by circling it.
‘Will’ has always for me had a double meaning… but it’s that sense of a dance of strength around a gap”. WK — Uit de Instagram van William Kentridge Studio, 17 mei 2022
Extract from “Footnotes for the Panther: Conversations between William Kentridge and Denis Hirson”, 2017, Fourthwall Books, Johannesburg
[2] Iets wat bij ons bijvoorbeeld Gaia doet.
Bij Singer lezen we dat dieren kunnen lijden. Ook voor Gaia is lijden het criterium.
Bij Regan lezen we dat de dieren daardoor rechten hebben. Veel hedendaagse dierenrechtenorganisaties, waaronder Gaia, sluiten aan bij deze rechtenbenadering.
Peter Singer, Animal Liberation. A New Ethics for Our Treatment of Animals, New York, Random House, 1975.
Tom Regan, The Case for Animal Rights, Berkeley, University of California Press, 1983.
[3] Zie ook het artikel in Het Verzet: Politiek als zorg voor de wereld, 11 november 2026.
Een verwante kritiek werd reeds geformuleerd door Jos Verhulst.
Volgens hem leidt een consequente doortrekking van het darwinistische mensbeeld niet vanzelf tot dierenrechten. Indien mens en dier principieel tot dezelfde orde behoren, valt immers moeilijk te verklaren waarom enkel van de mens moreel gedrag wordt geëist.
Verhulst betoogt bovendien dat rechten slechts kunnen bestaan binnen een orde van vrije en mondige rechtssubjecten die in principe kunnen deelnemen aan de vorming van het recht. Een uitbreiding van het rechtsbegrip tot dieren zou volgens hem uiteindelijk kunnen leiden tot een uitholling van het onderscheid tussen rechtssubjecten en beschermde objecten van recht.
Zie: Jos Verhulst, “Dieren hebben geen rechten, maar de mens is geroepen tot medelijden”, in: Klaas Commentaar, III-1, 24-2-1995, p. 2-3. Lees het volledige artikel (pdf).
[4] Markus Gabriel, De mens als dier. Waarom we toch niet in de natuur passen, 2023, Boom, 9789024452675
Gabriels onderscheid tussen verschillende "zinvelden" (Sinnfelder) biedt ook hier een bruikbaar denkkader. In Waarom de wereld niet bestaat betoogt hij dat alles wat bestaat, bestaat binnen een bepaald zinveld: een boom in het natuurlijke, een sonnet in het literaire, een getal in het wiskundige, een wet in het juridische. Er bestaat dus niet één allesomvattende werkelijkheid waarin alle dingen op dezelfde manier bestaan. Rechten en plichten behoren daarom niet tot het biologische zinveld, maar tot het morele en juridische.
Zie Markus Gabriel, Waarom de wereld niet bestaat, Boom, Amsterdam, 2016, ISBN 9789089532718.
In de context van deze panter-bijdrage zou je kunnen zeggen: de marter blijft binnen het biologische zinveld. De mens leeft eveneens in dat zinveld, maar zijn handelen verschijnt tegelijk in een moreel zinveld. Daarom kan een marter tragisch handelen, maar alleen een mens kan wreed zijn.
Dit alles sluit dan weer aan bij Over fragmenten en scherven, Het Verzet, 29-11-2024.
[5] Mensenrechten bestaan slechts binnen een menselijke politieke orde. Ze vormen het politieke en juridische antwoord op een voorafgaande menselijke kwetsbaarheid. Zij beschermen geen abstract individu, maar de concrete mogelijkheid om als mens te leven, zich te ontwikkelen en samen met anderen een gedeelde wereld op te bouwen. Mensenrechten hebben daarom betrekking op wezens die zelf deelnemers zijn aan die rechtsorde.