ALS JE VERHALEN BIJEENBRENGT over jouw familie, dan is dat interessant voor de familieleden. Voor de levenden, maar ook –en misschien vooral– voor zij die na u komen. Pakweg binnen 100 jaar. Of het goed of slecht geschreven is, het maakt dan niet echt uit. De verhalen van je eigen familie, liefst nog uit ver vervlogen tijden, vind je altijd boeiend.
Als het goed geschreven is, wordt het een ander verhaal. Dan is jouw familiegeschiedenis ook interessant voor niet-familieleden.
Zo een boek heeft Jan Aertsen over ‘zijn Kempische landbouwfamilie’ geschreven.
Het resultaat mag er zijn: ‘t Is ook maar doodgaan. Een Vlaamse familiesaga in de lange twintigste eeuw, uitgegeven bij Kritak.



Een chroniquer


Liefdevol (uiteraard) vertelt ‘Jan van Fons van Kees van Sus van Geertjes’ [p.13] boeiende, grappige, ontroerende en ongelooflijke verhalen over vijf hardwerkende, ‘vloekende’, Kempische generaties.
Hij doet dit met een lyrische en beeldende stijl, zonder melancholie over wat voorbij ging, eerder als een ooggetuige, een chroniquer.


Zijn verhalen bevatten alles wat een mens kan tegenkomen: liefde, verkrachting, moord, armoede, spanning, oplichting, oorlog, tranen, seks, hard labeur … en vooral dood. Op een eeuw tijd wordt er wat afgestorven. Vandaag is de dood bij ons wat opzijgeschoven, maar vroeger was de dood van dieren en van mensen altijd dichtbij. En de auteur slaagt erin om over de dood te schrijven op een manier dat het ontroerend én hard binnenkomt.
Bijvoorbeeld over de zeven dode kinderen van zijn grootmoeder Mie Quirijnen: […] “Bij elk van haar kinderen dat stierf, herinnert ze zich nog de kleur van het licht dat door het raam op het westen viel op het moment dat de dood binnensloop, steevast op kousenvoeten door de achterdeur.” Dan somt hij de kleuren op: “Hun eerste Jan stierf na één dag in roestrood bamislicht. Dan kwam er weer een flinke Jan, maar ook hij stierf na één dag, in mistig wit winterlicht. Corneel hield het twee maanden vol, toen hij stierf was er huibekenslicht.(…) ”
Zeven dode kinderen in het leven van één moeder, we kunnen het ons nog amper voorstellen.


Het boek staat vol met wondere anekdotes, te veel om op te sommen. Daarvoor moet je het boek maar lezen. Eén klein, onvoorstelbaar verhaal wil ik wel geven.
Op het einde van de Groote Oorlog werd het paard en kar van grootvader Kees opgevorderd door terugtrekkende Duitsers, met de belofte het later terug te bezorgen. En, inderdaad, een maand later werd paard en kar teruggebracht. “Teruggestuurd vanuit de Voerstreek, van dorp tot dorp doorgegeven door boeren en burgers. Met een plakkaat op de kar genageld en daarop in krijtschrift: Pferde von Kees Aertsen, Loenhout. Heinz. Danke. Grüß Gott” [87]


Jan Aertsen
Jan Aertsen in 1956. Hij was zes jaar.

Boeiend is hoe Jan Aertsen –de vijfde generatie– zijn eigen verhaal in deze familiegeschiedenis heeft verweven: zijn eerste vrijpartij (uiteraard op de hooizolder); zijn vlucht naar Leuven, weg van het ‘het gezapige boerengat Klein-Loenhout’; de wereld in, weg van zijn vader die net een kasteel had gekocht; zijn tocht naar Afrika; de dood in zijn leven; zijn eigen depressie …
Als generatiegenoot van Jan Aertsen is mij veel vertrouwd. Ik ken zelfs mensen die in zijn verhalen voorkomen.


Een familiegeschiedenis in de wereld


Het is een familiegeschiedenis, geen sociale geschiedenis zoals Geert Mak het meesterlijk deed in Hoe God verdween uit Jorwerd. Maar er is voldoende stof aanwezig met oog voor de juiste details, zodat doorheen de aanstekelijke verhalen van Jan’s familie toch de grote geschiedenis doorschemert. Wat er gewonnen is en wat er verloren ging.
Net zoals bij Geert Mak ontdek je hoe een eeuwenoud boerendorp uiteenspat door de komst van de Vooruitgang, de ‘grote economie’, de banken, de Boerenbond, de televisie, de reclame, …..


“Samen met het heengaan van God verdween echter heel het dorpsleven en gemeenschapsgevoel.”
“In plaats van te knikkebollen tijdens de preek van de pastoor, vielen de hardwerkende boerenmensen nu in slaap onder het nieuws op teevee. In plaats van de alwetende God vreesden ze nu de loodzware leningen van de banken, de wurggreep van de achterstallige betalingen en bovenal het vooruitzicht van slavenarbeid in dienst van Hollandse investeerders.” […] “Nu koerelden de soms wanhopige boeren aan de eenzame fles in hun holklinkende stal. En in de plaats van zoals vroeger eens diepkwaad te vloeken, tuimelden sommigen, vooral jonge boeren, nu in burn-outs en depressies. En zelfmoorden. God stond buitenspel.” [153]


Verhalen vertellen


In een eerder artikel mijmerde ik over het verleden van mijn grootmoeder. In een reactie zei een van de gezellen dat ze het jammer vond hoe weinig we doorgeven van generatie op generatie. “Wie heeft er in zijn familie nog verhalen van hoe het was onder de Franse tijd ?” vraagt ze zich terecht af.
Stambomen maken, ja, dat doen we veel en gaarne. Zeker als we de familiebanden kunnen verbinden met de heilige graal der genealogen: afstammeling zijn van Karel De Grote.
Maar verhalen doorgeven: het wordt te weinig gedaan.
Jan Aertsen heeft dat nu wel gedaan over zijn familie en over zichzelf. Ze zullen hem dankbaar zijn. En wij ook. Nu en tot in eeuwigheid.





Nog even dit


Jan Aertsen, ‘t Is ook maar doodgaan. Een Vlaamse familiesaga in de lange twintigste eeuw. Uitgeverij Kritak, 2022, 789401484244
Het boek is te verkrijgen bij Barbóék en de betere boekhandels.
Ik heb dit boek al enkele keren als geschenk gegeven. Tot veel jolijt van de ontvangers.