Voor Luc De Keyser
In deel 2 verwees ik al naar het idee van narrow banking, een manier om betaalrekeningen opnieuw veilig te maken door ze los te koppelen van risicovolle bankactiviteiten. Hier stel ik een bredere vraag: hoe versterken we ons geldsysteem als geheel? Het antwoord is verrassend concreet: cash behouden — ons enige volledig publieke, anonieme en risicoloze geld — én de juiste digitale euro ontwikkelen, een publieke digitale tegenhanger die niet wordt ingekapseld door banken of Big Tech.
Cash is revolutionair
Steeds vaker zie je het bordje hangen: "Geen cash meer, enkel kaart of app." Wat ooit de vanzelfsprekende manier van betalen was, verdwijnt geruisloos uit het dagelijks leven [1]. De muntstukken en biljetten verdwijnen uit onze handen — en met hen, ongemerkt, een stuk autonomie. Dat cash verdwijnt, is geen natuurwet en geen louter gevolg van technologie, maar het resultaat van opeenvolgende beleidskeuzes die digitale betalingen bevoordelen en contant geld structureel minder beschikbaar en duurder maken. Wat voorstanders van deze verdwijntruc zien als vooruitgang, is in werkelijkheid een maatschappelijke verschuiving: van publieke naar private infrastructuur, van vrije toegang naar gecontroleerde toegang. Cash voelt ouderwets, maar het is een cruciaal onderdeel van onze toekomst.
Ik som hier vijf belangrijke redenen op waarom ik cash zie als een cruciaal onderdeel van onze toekomst [2]:
1. Cash geld is de trap in ons appartementsgebouw.
Digitale betalingen rusten op drie breekbare pijlers: elektriciteit, communicatie en computers. Wanneer één van die pijlers uitvalt, wordt het systeem tijdelijk onbruikbaar. Dat werd pijnlijk duidelijk tijdens cycloon Gabrielle in Nieuw-Zeeland (2023): een stroomstoring legde hele regio’s lam. Betaalterminals vielen uit, netwerken crashten, digitale wallets werden waardeloos. Mensen konden niet meer betalen — niet omdat ze geen geld hadden, maar omdat hun geld onbereikbaar was geworden [2b].
Natuurlijk was dat onbruikbare geld niet verdwenen. Zodra de stroom terugkeerde, werkte het systeem opnieuw en werd de volledige bruikbaarheid hersteld. Maar precies dát is het punt: in een crisissituatie telt niet wat je theoretisch bezit, maar wat hier en nu functioneert.
Cash bleek in die omstandigheden het enige betaalmiddel dat onafhankelijk bleef werken — al was het aanbod beperkt doordat automaten leeg of onbereikbaar waren en waren de winkels niet altijd bereikbaar. Maar de harde waarheid van een casharme samenleving: wat het best werkt wanneer alles faalt, is precies wat we systematisch afbouwen.
Zelfs Zweden, jarenlang het uithangbord van de cashloze droom, draait bij. De overheid adviseerde in 2024 om altijd contant geld in huis te hebben, voor minstens een week. Niet uit nostalgie, maar omdat een samenleving zonder cash extreem kwetsbaar wordt voor cyberaanvallen, netpannes of geopolitieke druk.
Je ziet die reflex ook dichter bij huis. Wanneer er geruchten opduiken over bankproblemen, staan mensen opnieuw bij bankautomaten. Niet omdat ze irrationeel zijn, maar omdat ze het simpelste economische inzicht begrijpen: cash is waarde; geld op een rekening is slechts een belofte.
Brett Scott vergelijkt cash daarom met de trap in een appartementsgebouw [3]. De trap is misschien traag en ouderwets, maar hij werkt altijd. De lift — onze digitale betaalwereld — is snel en comfortabel, maar volledig afhankelijk van een fragiel ecosysteem van software, bedrijven en stroom. De lift lijkt vanzelfsprekend tot hij het begeeft. Of, nog erger, tot iemand beslist dat jij er niet meer in mag of dat je moet betalen bij elk gebruik.
Een samenleving die de trap afbreekt omdat de lift zo handig is, snijdt haar veerkracht weg. Cash is die trap: robuust, onafhankelijk en van iedereen. Het is het laatste publieke vangnet in een steeds meer private betaalecosysteem.
2. Privacy en gegevensmanipulatie
Een veelzeggend dossier is de hack van het donatieplatform GiveSendGo tijdens het Canadese Freedom Convoy — een protest van Canadese vrachtwagenchauffeurs tegen vaccinatieverplichtingen [4]. Een onbekende hacker kraakte het systeem en zette de volledige lijst van donateurs online: namen, adressen, bedragen, betaalmethoden. Media en activisten maakten er interactieve kaarten van, zodat iedereen kon worden opgezocht. De gevolgen waren direct en persoonlijk: donateurs — ook bedrijven — kregen bedreigingen en reputatieschade; sommigen werden op het werk ter verantwoording geroepen; een vrouw verloor haar baan na een gift van amper 50 dollar. Een vrijwillige donatie veranderde in een publieke kwetsbaarheid [5].
Wat vroeger anoniem kon — een biljet in een collectebus stoppen — laat nu altijd een digitaal spoor achter dat nooit meer verdwijnt. Betaaldata worden profielen; profielen worden algoritmische voorspellingen; voorspellingen worden beslissingen over mensen. Een aankoop of donatie verandert in een datapunt dat kan worden gedeeld, verkocht, gehackt of politiek gebruikt.
Het argument dat dit “handig is tegen fraude” maskeert de bredere realiteit (zie hierna). “Fraudebestrijding” is het alibi; het verkooppraatje. In de praktijk verandert betaalgedrag in grondstof voor commerciële exploitatie, sociale disciplinering en politieke druk [6].
Cash doorbreekt dat mechanisme volledig. Het produceert geen data, geen profiel, geen archief. Het is een van de weinige domeinen waarin de burger níet transparant is voor bedrijven of overheid. In een samenleving waarin elke klik, aankoop en verplaatsing wordt gemeten, is die stilte geen nostalgie maar een noodzakelijke bescherming [7].
3. Cash is meer fraudebestendig
Het idee dat cash vooral dient voor fraude is een hardnekkige mythe. Er is geen overtuigend bewijs dat contant geld massaal gekoppeld is aan criminele of zwarte economische activiteiten; de relatie is zwak en vaak speculatief [8]. Wat wél duidelijk is: criminaliteit verschuift gewoon naar waar de kwetsbaarheid ligt — en dat is vandaag digitaal.
Digitale fraude neemt immens toe: gehackte bankapps, phishing, identiteitsdiefstal, gekraakte betaalplatformen, datalekken, gestolen kaartgegevens, nagemaakte webshops [9]. Het gaat om fraude op industriële schaal, vaak grensoverschrijdend en moeilijk te bestrijden. Criminelen hoeven geen bank te overvallen; ze hoeven enkel een lek te vinden in een server of een argeloze gebruiker te misleiden. Fraude verdwijnt dus niet door cash te bannen — ze verandert in een vorm die sneller, goedkoper en veel massaler kan worden uitgevoerd [10].
Toch blijft de karikatuur bestaan dat wie cash gebruikt “iets te verbergen” heeft. Maar wie dat zegt, zegt eigenlijk dit: een goede burger laat zich controleren door Visa, banken en Big Tech — wie dat niet wil, is verdacht. Het is een bizarre omkering: burgers moeten volledig transparant zijn, terwijl de machtigste spelers juist buiten zicht opereren.
In dat licht is cash geen verdacht gedrag, maar een grens die burgers trekken tegen permanente financiële traceerbaarheid. Het is niet de fraudeur die baat heeft bij cash, maar de gewone burger die wil betalen zonder dat iedere transactie een datapunt wordt.
4. Verlies van controle en vrijheid
Toen de Franse magistraat Nicolas Guillou als internationale rechter arrestatiebevelen uitvaardigde tegen Israëlische leiders, reageerden de Verenigde Staten met persoonlijke sancties. Dat ene politieke besluit had onmiddellijke gevolgen: zijn WhatsApp-, Facebook-, Instagram- en Google-accounts werden geblokkeerd; betalingen via Visa en Mastercard geweigerd; zelfs een hotelboeking in Frankrijk werd door Expedia automatisch geschrapt [11].
Een rechter van het Internationaal Gerechtshof werd zo in één klik tot digitale non-persoon gemaakt. Niet door een rechtbank, maar doordat private bedrijven reflexmatig meebewogen met een politieke sanctie. De maatregel was geen juridische beslissing, maar een politieke vergeldingsreactie van de VS — meteen door banken en platformen uitgevoerd. Dit is geen hypothetisch risico, geen dystopische overdrijving. Het gebeurt nu.
Dit voorbeeld gaat niet over technologie op zich, maar over de concentratie van vitale functies — communicatie, identiteit én betaling — in private infrastructuren die buiten democratische controle vallen. Het verhaal van Nicolas Guillou toont hoe dun de lijn is tussen digitaal gemak en digitale afhankelijkheid. In zo’n systeem worden burgers afhankelijk van de toestemming van platformen, banken en staten.
Wanneer ook geld volledig digitaal en privaat verloopt, verdwijnt elke publieke uitweg. Een samenleving zonder cash laat haar volledige economische circulatie verlopen via poortwachters die transacties kunnen blokkeren, accounts kunnen bevriezen en mensen zonder proces kunnen uitsluiten. Cash is dan geen nostalgisch relict, maar een structurele voorwaarde voor politieke vrijheid: het garandeert dat niemand volledig afhankelijk wordt van digitale infrastructuren buiten zijn controle.
5. Economische oligopolisering
Wie in een klein, coöperatief café als Het Groot Ongelijk in Kessel-Lo een pintje bestelt, voelt meteen wat een lokale economie betekent: nabijheid, menselijke schaal, wederkerigheid …. Wat klinkt als een detail van gebruiksgemak, heeft een diepere systeemimpact. Elke digitale betaling wordt automatisch opgenomen in internationale betaalnetwerken. Het geld voor je pintje in Kessel-Lo passeert langs kaartnetwerken, banken en servers in Dublin, Londen of Californië. Dat heet “modernisering”, maar het betekent ook dat lokale transacties structureel afhankelijk worden van externe infrastructuur en spelers.
De overheid presenteert dat als vooruitgang, maar staat zelden stil bij de keerzijde. Digitale betalingen brengen kosten met zich mee — transactiekosten, terminalhuur, contractuele afhankelijkheid — die vooral voor kleine handelaars doorwegen. Tegelijk klopt het dat ook cash niet gratis is: banken rekenen al jaren kosten aan voor cashverwerking, stortingen en afhalingen. In sommige contexten ervaren handelaars digitale betalingen vandaag zelfs als goedkoper of eenvoudiger dan cash. Dat onderstreept net het punt: cash is niet per se ‘inefficiënt’, maar systematisch duurder binnen een betaalomgeving die rond digitale rails is gebouwd.
Kortom, de nadelen blijven onderbelicht: de kosten voor handelaars, de afhankelijkheid van een handvol internationale spelers, het verlies aan lokale autonomie. Ondertussen verplichten steeds meer winkels digitale betaling, terwijl de FOD Economie blijft herhalen dat digitaal ‘een aanvulling’ is en cash moet blijven [12]. Die zin klinkt intussen bijna ironisch, gezien de realiteit op de vloer.

In een grotendeels digitale betaalwereld verdient de financiële sector mee op elke transactie, hoe klein ook. Een buurtcafé wordt zo minder een lokaal ecosysteem en meer een schakeltje – een datapunt – in een globale betalingsketen — efficiënt, maar sterk centraliserend. Zeker, machtsconcentratie is ouder en breder dan digitaal geld. Maar geld en betalingsverkeer zijn geen neutrale dragers daarvan: ze zijn een van de belangrijkste infrastructuren waarin die macht zich vastzet. Wie daar geen publieke tegenmacht organiseert, versterkt bestaande concentraties in plaats van ze te corrigeren.
Contant geld doorbreekt die logica. Het is de enige betaalvorm die transacties lokaal houdt, zonder tussenkomst van internationale netwerken, contracten of datastromen. Precies daarom staat cash vandaag onder druk: niet omdat het niet werkt, maar omdat het buiten het dominante verdienmodel valt. Wie diversiteit, lokale veerkracht en economische autonomie belangrijk vindt, moet cash niet zien als ouderwets, maar als publieke infrastructuur die machtsconcentratie afremt. Een cashloze of casharme samenleving is er één waarin grote financiële instellingen niet langer een optionele dienstverlener zijn, maar een verplicht onderdeel van elk aspect van je leven.
Van fysiek naar digitaal
Deze vijf redenen tonen waarom cash geen nostalgisch overblijfsel is, maar een publieke infrastructuur die ons beschermt tegen fragiliteit, datamisbruik, digitale fraude, machtsconcentratie en financiële uitsluiting. Maar net die cash infrastructuur wordt snel afgebouwd, terwijl bijna alle betalingen verschuiven naar private digitale systemen (zie deel 1 en deel 3). Zo ontstaat een paradox: hoe digitaler onze economie wordt, hoe minder publiek geld er overblijft.
De kernvraag wordt dan: kan er nog publiek geld bestaan in de digitale ruimte? Vandaag is het antwoord eenvoudig: ja, dat zou kunnen, maar het bestaat nog niet. Alles wat digitaal is, loopt nu via banken, kaartnetwerken of big tech. Publiek geld bestaat enkel nog in de verdwijnende papieren vorm. Daarom is de Europese Centrale bank bezig met de ontwikkeling van een digitale euro, een digitale versie van publiek geld. Vandaag bestaat publiek geld alleen in de vorm van cash; alles wat digitaal is, loopt via banken of Big Tech. De digitale euro moet dat gat vullen: een soort digitale cash, toegankelijk via een app, kaart of offline drager. Niet bedoeld om cash te vervangen, maar om publiek geld ook in het digitale tijdperk te laten bestaan. De digitale euro is geen luxeproject, maar een noodzakelijke modernisering van iets wat we dreigen kwijt te raken: publiek geld. Niet als vervanger van cash, maar als het digitale equivalent van de trap — een betrouwbaar vangnet dat blijft werken, ook wanneer private systemen falen. Een publiek beheerd betaalmiddel, met strikte waarborgen: minimale en doelgebonden gegevensverwerking voor de werking van het systeem, bescherming tegen misbruik, geen commerciële exploitatie van betaaldata, en universele toegankelijkheid. Geen verdienmodel, geen poortwachterslogica, maar een digitale betaalinfrastructuur in dienst van het algemeen belang.
Met cash beschermen we ons in de fysieke wereld. De digitale euro moet dat in de digitale wereld doen.
Een vriend zei me eens: “Je kan vooruitgang toch niet tegenhouden?” Dat wil ik ook niet. Maar ik vind wel dat de samenleving mee moet bepalen wat vooruitgang betekent. En precies daar knelt het: banken doen alsof de discussie gaat over cash versus digitaal. Dat is misleiding. Het echte conflict gaat over publiek geld versus privaat geld. Over wie de geldkraan beheert: de samenleving of de sector die eraan verdient.
Eerst een snelcursus DIGITALE EURO
De bedoeling van de digitale euro is in essentie eenvoudig: publiek geld ook in de digitale wereld behouden. Niet omdat digitaal per se beter is dan cash, maar omdat geld een basisinfrastructuur is die niet volledig mag afhangen van private spelers [13]. De digitale euro is dus geen technologisch project, maar een institutionele keuze: ervoor zorgen dat ook digitale betalingen toegang geven tot publiek geld.
Vanuit die logica worden bepaalde eigenschappen essentieel — dezelfde die cash vandaag heeft. Publiek geld moet voor iedereen toegankelijk zijn, onafhankelijk van commerciële platformen, en bruikbaar zonder verplichte koppeling aan banken of Big Tech. Zoals we zullen zien wordt daarom ingezet op functies zoals een offline modus, een kaartoptie en beperkte gegevensverwerking. Niet als gadget, maar als waarborgen: ze zorgen ervoor dat publiek geld ook digitaal vrij, robuust en inclusief blijft.
De digitale euro is zo geen vervanging van cash, maar zijn digitale tegenhanger. Het is digitale cash: digitaal publiek geld dat dezelfde vrijheid en betrouwbaarheid nastreeft als een biljet in je hand — ook wanneer private systemen falen [14].
Hoe werkt het?
- De digitale euro komt rechtstreeks van de ECB, niet van commerciële banken.
- Het is geen schuld of tegoed, maar echt waarde-geld, zoals een biljet.
Waar staat het geld?
Digitale euro’s zijn juridisch centraal bankgeld: publiek geld zonder krediet- of faillissementsrisico.
Hoe burgers dit geld precies aanhouden en gebruiken — via een centrale-bankrekening of via tussenpersonen — is nog onderwerp van politieke en institutionele keuzes. Banken pleiten er uiteraard voor om bij de digitale euro als tussenpersoon te blijven fungeren: niet omdat het technisch noodzakelijk is, maar omdat directe toegang van burgers tot publiek geld hun rol als betaal- en depositobank fundamenteel zou hertekenen.
Hoe gebruik je het?
- Via een app (zoals een digitale portemonnee)
- Via een kaart
- Via een offline drager, zodat je ook zonder internet kunt betalen. De offline drager van de digitale euro is in feite een moderne, publiek ontworpen versie van Proton — digitale cash die in het toestel zelf zit en die werkt zonder netwerk, zonder bank en zonder datastroom. Je hebt dus geen smartphone nodig — dat is een expliciete vereiste.
Waarvoor dient het?
Voor alledaagse betalingen. Niet om te sparen of te beleggen, maar om publiek geld opnieuw een plaats te geven in de digitale ruimte.
Vervangt dit cash?
Nee. De digitale euro moet de rol van cash in het digitale tijdperk opnemen.
Is dit hetzelfde als de stablecoin?
De Europese stablecoins zijn private munten die beloven 1-op-1 aan de euro gekoppeld te zijn, maar waarvan de betrouwbaarheid afhangt van het uitgevende bedrijf en zijn reserves. De digitale euro daarentegen is publiek geld: uitgegeven door de Europese Centrale Bank, zonder kredietrisico en met wettelijke waarborgen. Waar stablecoins draaien op private betaalrails en commerciële datamodellen, wordt de digitale euro opgezet als publieke betaalinfrastructuur met minimale, doelgebonden dataverwerking — bedoeld om digitaal cash te zijn, niet een nieuw verdienmodel [15].
1. Privacy: mini-cash of volgmunt?
Eeen belangrijk deel van het debat rond de digitale euro draait om privacy. Vandaag registreert elke digitale betaling wie je bent, waar je bent en wat je doet. Met de digitale euro dreigt dat uit te breiden naar een publiek systeem: niet alleen banken, maar ook de centrale bank en – via uitzonderingsregels – de overheid zouden kunnen meekijken.
De vraag is simpel: wordt de digitale euro een soort mini-cash, of wordt het een volgmunt?
De Europese Centrale Bank belooft “hoge privacy”, maar sluit anonimiteit expliciet uit [16]. Privacyorganisaties pleiten voor het tegenovergestelde: kleine digitale betalingen die net zo privé zijn als een biljet in de winkel. Zonder profielopbouw, zonder datastromen, zonder koppelingen met andere databanken.
Vaak wordt fraudebestrijding gebruikt als alibi om meer registratie toe te laten. Maar we hebben gezien waar dat toe leidt: een betaalinfrastructuur die steeds meer gegevens verzamelt en analyseert. Als de digitale euro permanent identificeerbaar wordt, opent ze de deur naar financieel toezicht dat verder reikt dan vandaag.
Daarom moet één ondergrens absoluut zijn: anonieme of sterk geanonimiseerde kleine betalingen, net zoals bij cash. Niet omdat burgers iets te verbergen hebben, maar omdat niet elke betaling een datapunt mag worden. Een digitale euro die deze ruimte niet laat, is geen modern publiek geld, maar een verfijnde vorm van financiële controle.
2. Limieten: hoeveel digitale euro mag een burger bezitten?
Net als cash is de digitale euro ontworpen als betaalmiddel, niet als vermogensopslag. De digitale euro is bewust niet bedoeld als spaarmiddel. Er staat geen rente op, en bij inflatie is het niet de bedoeling dat burgers grote bedragen aanhouden. Daarom wordt ook een plafond voorzien: doorgaans enkele duizenden euro’s per persoon.
Dat lijkt een technische keuze, maar is in werkelijkheid een institutioneel compromis. Beleidsmakers en banken vrezen dat burgers anders massaal geld zouden verschuiven van bankrekeningen naar digitale euro’s — publiek geld zonder kredietrisico. Zo’n verschuiving zou het klassieke bankmodel onder druk zetten, omdat banken vandaag afhankelijk zijn van deposito’s als financieringsbron. Vanuit die logica wordt gepleit voor strikte limieten: de digitale euro mag geen alternatief worden voor sparen, slechts een beperkte betaalportemonnee.
Het resultaat is paradoxaal. De digitale euro moet functioneren als digitaal publiek geld — veilig, robuust en onafhankelijk — maar burgers mogen er slechts in beperkte mate over beschikken. Het is publiek geld dat formeel bestaat, maar niet volwaardig kan worden gebruikt. Zo dreigt de digitale euro van bij de start gereduceerd te worden tot een symbolische aanvulling, in plaats van een echte pijler van het geldsysteem. Zo hypothekeer je de digitale euro van bij aanvang.
Daarmee wordt opnieuw duidelijk waar de kern van het debat ligt: niet bij het bestaan van publiek geld, maar bij toegang en schaal. Zolang de limieten laag blijven, blijft de digitale euro afhankelijk van de bestaande bankrails en vervult hij geen volwaardige publieke rol. Je krijgt publiek geld — maar slechts een beetje, precies genoeg om het systeem niet te verstoren. Dat is geen puur technische afweging, maar een politieke keuze over wie controle houdt over de geldcirculatie.
3. De rol van banken: poortwachter of doorgeefluik?
De digitale euro wordt voorgesteld als publiek geld, maar de banken willen koste wat kost vermijden dat burgers rechtstreeks toegang krijgen tot de centrale bank [17]. Daarom lobbyen ze intens voor een model waarin zij de toegang controleren: de bankapp als interface, de bank als klantbeheerder, de bank als poortwachter. Zo blijft de digitale euro, ook al is hij publiek, in de praktijk afhankelijk van hun infrastructuur en voorwaarden.
Achter die reflex schuilt een dieper ongemak: de digitale euro duwt banken ongemerkt in de richting van narrow banking. In zo’n model worden betaalrekeningen gescheiden van risicovolle bankactiviteiten. Jouw geld dient dan niet langer als gratis financiering waarmee banken leningen verstrekken; het wordt puur bewaard en beheerd. Precies dat gebeurt bij de digitale euro: geld staat bij de centrale bank, banken mogen er geen kredieten mee verstrekken en beheren enkel de interface, niet de balans. Het toont hoe een geldsysteem eruitziet waarin betaalverkeer niet automatisch onder controle staat van commerciële banken.
En dat maakt de sector nerveus [18]. Niet omdat de digitale euro technisch bedreigend is, maar omdat ze laat zien dat een alternatief mogelijk is: publiek digitaal geld dat in principe buiten commerciële balansen kan bestaan. Er bestaan zelfs modellen waarin de centrale bank zelf digitale rekeningen of wallets aanbiedt aan burgers [19]. Die optie is technisch haalbaar, maar politiek gevoelig, omdat ze het klassieke bankmodel fundamenteel zou hertekenen. Daarom wordt vandaag gekozen voor een tussenvorm: publiek geld, maar verdeeld via private tussenpersonen.
Vanuit die logica pleiten banken – en Europa volgt hen daarin – voor lage limieten, toegang via hun eigen apps en een ontwerp dat de digitale euro vooral niet te aantrekkelijk maakt. Niet omdat hij niet kan werken, maar omdat hij anders zou tonen dat het ook anders kan [20].
De kernvraag wordt dan: krijgen burgers rechtstreeks toegang tot publiek geld, of blijft de digitale euro gevangen in de rails van de banken?
Zolang banken de poortwachter blijven, blijft de digitale euro publiek geld in theorie, maar in de praktijk privaat geconditioneerd [21].
4. Offline functionaliteit: werkt publiek geld ook wanneer het netwerk uitvalt?
Een van de meest beladen vragen rond de digitale euro is welke mate van autonomie hij burgers De discussie over offline betalen gaat over de vraag of publiek geld ook digitaal kan functioneren zonder permanente verbinding, toestemming of toezicht. Als elke betaling afhankelijk blijft van online authenticatie, is de digitale euro geen digitale vorm van cash, maar gewoon een nieuwe betaalapp.
De Europese Commissie wil dat digitale euro’s ook offline kunnen circuleren—via een kaart of toestelletje waarin de waarde echt lokaal zit opgeslagen, zoals vroeger met Proton. Dat maakt kleine betalingen mogelijk bij netwerkproblemen, storingen of in gebieden met slechte dekking. Zo weerspiegelt de digitale euro een fundamentele eigenschap van publiek geld: het moet bruikbaar blijven zonder voortdurende externe tussenkomst.
Maar precies die autonomie ligt onder vuur. Banken en sommige nationale toezichthouders vrezen fraude, technische complexiteit en verlies aan controle. Een digitale euro die echt offline werkt, valt immers niet te monitoren, te profileren of te monetariseren. Daarom dreigt de offline modus te worden uitgehold tot een gimmick: theoretisch mogelijk, maar praktisch beperkt.
Daarmee raken we de kern. Het debat gaat niet over hoe offline betalingen technisch worden opgelost, maar of burgers recht hebben op een betaalmiddel dat niet permanent verbonden, gevolgd of afhankelijk is. Zonder zo’n functionele autonomie blijft de digitale euro vastzitten in dezelfde fragiele en gecentraliseerde infrastructuur als de huidige digitale betalingen. En dan vervult hij zijn publieke rol niet.
Een digitale euro is pas digitale cash wanneer hij autonomie garandeert in een verbonden wereld — ook wanneer systemen falen, netwerken wegvallen of markten overheersen.
5. Kosten en commerciële druk: wordt publiek geld een tweederangsoptie?
De Europese Commissie belooft dat de digitale euro voor burgers gratis zal zijn. Dat is logisch: publiek geld mag geen betaalmuur kennen. Maar tegelijk krijgen banken de ruimte om “aanvullende diensten” rond de digitale euro aan te bieden—en daarvoor wél kosten te rekenen. Daardoor dreigt een tweedeling: een basisversie die gratis maar beperkt is, en een commerciële variant die aantrekkelijker wordt gemaakt, maar betalend.
Banken hebben hier een duidelijk belang. Aan digitale betalingen verdienen ze vandaag miljoenen via transactiekosten, data en extra diensten. De digitale euro bedreigt dat model; daarom zullen ze alles doen om de publieke variant zo onzichtbaar mogelijk te houden. Het risico is dat je straks wel digitale euro’s hébt, maar dat geen enkele bankapp die prominent aanbiedt, en handelaren subtiel worden gestuurd richting de commerciële betaalkanalen.
Hier zit het kernprobleem: zolang commerciële spelers de toegangspoort vormen tot de digitale euro — via apps, interfaces en contractvoorwaarden — blijven zij de feitelijke poortwachters van publiek geld. Ze beslissen niet formeel over het bestaan van de digitale euro, maar wel over de zichtbaarheid, het gebruiksgemak en de praktische toegang.
Het gevaar is duidelijk: als commerciële spelers die toegangspoort blijven controleren, kunnen ze de digitale euro degraderen tot een tweederangsoptie—een theoretisch recht dat in de praktijk nauwelijks gebruikt wordt. Zoals bij zoveel publieke voorzieningen geldt ook hier: wat niet actief ondersteund wordt, verdwijnt in de schaduw van de markt.
De digitale euro kan alleen slagen als hij niet alleen gratis is, maar ook daadwerkelijk toegankelijk, zichtbaar en functioneel gelijkwaardig aan commerciële betaalopties. Anders blijft hij publiek geld dat niemand kan vinden.
Naar een eindbalans: wat staat hier eigenlijk op het spel?
Het wordt duidelijk waar de digitale euro echt over gaat. Niet over technologie, niet over designkeuzes, zelfs niet over de vraag of mensen “klaar zijn” voor digitaal publiek geld. Het gaat over iets fundamentelers: de toekomst van onze geldarchitectuur.
Zowel het behoud van cash als de komst van de digitale euro raken aan dezelfde kernvragen: Wie beheert de betaalrails? Wie bepaalt de toegang? Wie kijkt mee? En wie blijft buiten beeld?
Cash beschermt burgers in de fysieke wereld. De digitale euro zou dat in de digitale wereld moeten doen.
Maar dan moet ze zó worden ontworpen dat ze niet het zoveelste commerciële product wordt, maar een publieke infrastructuur die vrijheid, veerkracht en gelijkheid garandeert. De keuze is dus niet tussen oud en nieuw, nostalgie en vooruitgang. Het is de vraag welk soort samenleving we willen bouwen in een tijd waarin geld steeds meer data wordt, en betalen steeds meer afhankelijk is van private poortwachters.
Met cash en de digitale euro liggen belangrijke bouwstenen van het toekomstige geldstelsel al op tafel. Ze vereisen geen technologische sprong achteruit en vormen geen bedreiging voor de werking van de economie. Integendeel: ze maken het mogelijk om betaal- en geldinfrastructuur bewust te ontwerpen in functie van publieke waarden. Zoals JP – een nalezer van deze reeks – schreef: "Het is inderdaad een zaak van beleidskeuzes en in functie daarvan een intelligent ontwerp van een betaal/monetair systeem. Dit is noch science fiction, noch een terugkeer naar paard en kar.”
De inzet is dan ook niet technisch, maar democratisch. Welke vormen van publiek geld hebben burgers ter beschikking? Wie beheert de toegang? En onder welke voorwaarden? Wat die vragen onthullen over macht, afhankelijkheid en vrijheid in een digitale economie, bespreek ik in de slotbijdrage — de eindbalans van deze reeks.
Nog even dit
[1] Recent onderzoek van de Europese Centrale bank toont aan dat er – ondanks alles – nog veel cash wordt gebruikt. De studie toont aan dat cashgebruik daalt, maar nog steeds een belangrijke rol speelt in fysieke betalingen, met grote verschillen per land, leeftijdsgroep en context. Zie: ECB, Study on the Payment Attitudes of Consumers in the Euro Area (SPACE)
[2] Nog meer redenen: Positive money, de organisatie die werkt voor een gezonder en dus democratischer geldsysteem CashEssentials, een onafhankelijke denktank en kennisplatform dat werkt rond het behoud en de toekomst van fysiek cash geld. Brett Scott, The Luddite's Guide to Defending Cash, in: Asomoco, May 08, 2023
Brett Scott, 10 Reasons to Fight Cashless Contagion, in: Asomoco, Nov 1 2023
[2b] Over de cycloon Gabrielle en cash in Nieuw-Zeeland: Reserve Bank of New Zealand, RBNZ and cash industry supporting cash services in regions affected by Cyclone Gabrielle
[3] Brett SCOTT, Cloud Money, Business Contact, 2022, 9789047013099
[4] Zie Wikipedia, Freedom Convoy
[5] Wat begon als een actie van truckers groeide uit tot een bredere protestbeweging tegen het coronabeleid van premier Trudeau. Toen wegen geblokkeerd raakten en de protesten aanhielden, greep de Canadese regering naar ‘Emergencies Act’ uit 1988. Daarmee kreeg ze de macht om bankrekeningen van betogers en donateurs te bevriezen, zonder rechterlijk bevel. Ook crowdfundingplatformen werden onder druk gezet om geldstromen stop te zetten. Een extra voorbeeld voor het volgende puntje ‘Verlies van controle en vrijheid’.
[6] Het recent goedgekeurde money control-wetsvoorstel verruimt de toegang van fiscus en overheidsdiensten tot banktransacties. Banken moeten voortaan meer transactiedata automatisch doorgeven via het Centraal Aanspreekpunt (CAP), niet alleen het bestaan van rekeningen maar ook bepaalde betalingsinformatie. Voor critici gaat dit richting financiële surveillance; voorstanders zien het als een noodzakelijke versterking van de strijd tegen fraude en witwassen.
[7] Zie over privacy “Ik heb iets te verbergen”, in: Het Verzet, 13-03-2020
[8] Zie: Cash demand in the shadow economy, Bundesbank, 18.03.2019
[9] Overigens wordt Bitcoin vaak geprezen als “vrij geld”, maar precies dat gebrek aan toezicht maakt het aantrekkelijk voor fraudeurs, witwassers en ransomwarebendes. Europol ziet de munt al jaren opduiken in dark-webhandel en bij diensten die transacties verhullen. Het gaat om een klein deel van het totale volume, maar wél om het deel met de grootste maatschappelijke risico’s. Bitcoin leert ons zo een harde les: geld zonder publieke waarborgen creëert niet meer vrijheid, maar een speelveld waar criminelen sneller kunnen zijn dan burgers. Dat onderscheidt Bitcoin fundamenteel van cash: cash is publiek, wettig, ingebed in regels en democratische controle — en dus geen vrijstaat voor criminelen, maar een basisvoorwaarde voor de vrijheid van gewone mensen.
[10] European Banking Authority (EBA) & European Central Bank (ECB) — 2024 Report on Payment Fraud komt tot de conclusie dat er een sterke toename van digitale fraude ten opzichte van fysieke betaalvormen. De frauderatio (als percentage van totale transactiewaarde) is laag en stabiel, terwijl het absolute bedrag stijgt, maar de schade groeit, en vooral: het systeemrisico groeit in een casharme wereld.
De conclusie van de Europese toezichthouders is duidelijk: digitale fraude groeit sneller dan we ze kunnen indammen, en het wordt een systemisch risico in een samenleving die cash afbouwt.
In zijn merkwaardig boek "The Curse of Cash" pleit Kenneth Rogoff voor de afbouw van contant geld om criminaliteit te bestrijden en monetair beleid efficiënter te maken. Vooral de grote coupures moeten er aan geloven. Voor alle duidelijkheid: Rogoff pleit voor het geleidelijk afbouwen van grote bankbiljetten (zoals het €500-biljet - dat bij ons niet meer wordt geproduceerd), niet voor het afschaffen van alle cash. Hij erkent dat cash sociale functies heeft (privacy, veerkracht, inclusie). Wat in Rogoffs betoog onderbelicht blijft, is de machtsvraag: wie controleert het geld zodra cash verdwijnt? In de praktijk leidde de afbouw van contant geld niet tot meer publiek digitaal geld, maar tot een verschuiving richting banken, kaartnetwerken en Big Tech. Cash blijkt daardoor niet het probleem, maar het laatste anker van publiek geld in een steeds verder geprivatiseerde financiële infrastructuur.
Kenneth Rogoff, The Curse of Cash, 2017, Princeton University Press, 9780691178363 (Ik heb de digitale versie gelezen).
[11] Yanis Varoufakis, “Trump maakt een Franse rechter van het Internationaal Strafhof het leven zuur, en wat doet Europa? Trump een handje toesteken.”, in: De Standaard, 4 december 2025.
Zie ook een interview met de rechter: Stéphanie Maupas, "La vie de Nicolas Guillou, juge français de la CPI sous sanctions des Etats-Unis : « Vous êtes interdit bancaire sur une bonne partie de la planète »", in: Le Monde,
[12] Zie “Verplichting om een elektronisch betaalmiddel aan te bieden”, op de website van FOD Economie, 6 oktober 2025
[13] “A digital euro will ensure that people enjoy the benefits of cash also in the digital era. In doing so, it will enhance the resilience of Europe’s payment landscape, lower costs for merchants, and create a platform for private companies to innovate, scale up and compete”. Piero Cipollone, ECB Executive Board member
[14] Zie over de digitale euro, de bladzijden van de ECB: Digitale Euro
[15] Zie Carlotta Giovannucci, “Stablecoins vs Digital Euro: what they are and how do they differ?”, in: Positive Money, 29 October 2025
[16] Zie ECB, De digitale euro en privacy, European central bank, s.d
[17] Zie over de problematiek voor banken: Zeno Vanhoyland, Issuance of a Digital Euro: will commercial banks lose their intermediary function?, in: Consumer Competition Market Blog, 28 october 2021. Een goede introductie.
[18] Zie de position paper van Febelfin, de Belgische federatie van financiële instellingen. Het stelt expliciet dat de digitale euro géén duidelijke meerwaarde biedt voor banken — impliciet: zij verwerpen hem als alternatief voor bankgeld. “De digitale euro: niet de weg naar Europese soevereiniteit” (okt 2025) Een eenvoudige analyse: Nikos Maragopoulos, “Exploring the Impact of the Digital Euro on Euro Area Banks”, in: Oxford Business Law, European Banking Institute, 7 maart 2024
[19] Er bestaan concrete alternatieve architecturen voor de uitgifte van een digitale munt uitgegeven door de centrale bank (CBDC) en waarbij de centrale bank direct rekeningen voor burgers beheert, zonder tussenkomst van commerciële banken of andere private tussenpersonen. Ik heb drie kernvarianten tegengekomen:
een direct CBDC-model, waarin de centrale bank zelf alle rekeningen en transacties beheert;
een indirect of intermediated CBDC-model, zoals de ECB vandaag onderzoekt, waarbij private instellingen de klantrelatie voeren;
en een synthetisch CBDC, waarin private partijen een CBDC-achtige dienst aanbieden die volledig wordt gedekt door centraal bankgeld.
Zie: Nicholas Anthony en Norbert Michel, “A Breakdown of the Different CBDC Models”, in: Cato at Liberty, Cato Institute, 10 feb. 2023
[20] Het lobbywerk van de banken is enorm. Dirk Bezemer, prof. economie RU Groningen: “In Brussel, waar tegenwoordig de meeste beslissingen worden genomen, hebben de banken circa zeven keer zoveel ontmoetingen met politici als de rest; consumentenorganisaties, ngo’s; alles bij elkaar.” Thomas Bollen, idem, p. 217-218
[21] De banken spreken van de risico’s bij het invoeren van CBDC. Zo spreken ze van het ontstaan van een "Frankenstein-scenario" waarin te veel macht wordt gegeven aan niet-gekozen technocraten. Wat ze niet zeggen is dat hetzelfde geldt voor de invloed die burgers hebben op de marktgedreven instellingen: quasi nihil. Daar is het gevaar even groot:
Publiek geld wordt vervangen door private creaties, zonder dat iemand nog het geheel draagt.
We bouwen dus systemen, die we niet meer (kunnen? willen?) beheersen. Vandaar dat de democratische verankering het antwoord is op de vrees voor een Frankenstein-scenario, niet de verschuiving naar de private instellingen.
In het algemeen is de vraag dus niet of we ‘nieuw geld’ kunnen maken, maar of we bereid zijn er opnieuw zorg voor te dragen. Frankenstein is geen technologie-kritiek, maar een zorg-kritiek.
Zie: Michael Cembalest, "Frankenstein's Monster", in: Eye on the market, JP Morgan asset management, 10-4-2023