Inhoudstafel

Een donut als appèl
Het arbeidsvraagstuk als zorgvraagstuk
- Motivatie
- Tussendoor: Ayn Rand
- Basisinkomen

Armoede en rijkdom
- Hoe rijk mag iemand zijn?
- Meer dan een basisinkomen, onder de rijkdomsgrens

Het stervende geld
Radicale democratisering
Bij wijze van conclusie: Moeder, waarom werken wij?
- Naar de volgende stap

(nvpv: wat hier is neergeschreven zijn gedachten in ontwikkeling. Ik verwacht dat ik in latere bijdragen hier verder op in ga.)

Voor Rika Theunissen


IN DE VORIGE bijdrage stelde ik tien vragen. Ik gaf vier richtlijnen die als uitgangspunt de initia, de basismensenrechten hebben [1]. Samengevat: iedereen moet lichamelijk kunnen voortbestaan (zelfbehoud); iedereen moet zichzelf kunnen ontwikkelen (zelfrealisatie) en iedereen moet de ander kunnen ontmoeten (verbondenheid). Dat mee helpen realiseren is een gewetensvraag: “[…] wat komt mij toe in mijn verhouding tot de medemens(en)?” (Dieter Brüll). De filosoof Rudolf Steiner geeft hierrond een leidraad: ‘Neem de nood van anderen tot motief van eigen handelen’. Hoe doen we dit? Wat betekent dit voor onze samenleving?

Een donut als appèl

In het economische dienen we de hele wereld te beschouwen. De Belgische economie is geen autarkie. Ze bestaat enkel in de context van de gehele wereld. Een van de interessante pogingen om daarvoor een kader te scheppen, lijkt me de Donut Economie van prof. Kate Raworth.[2], [3]
Stel je een klassieke donut voor. Deze donut bestaat uit twee cirkels - de ene, de binnenrand, is het sociale fundament (social foundation) voor ons handelen.

Donut economie
De donut van Prof. Kate Raworth biedt een boeiend kompas voor de economie.

De binnenrand begrenst het doel van ons handelen: het vervullen van de twaalf essentiële menselijke noden [4]: Voedsel; Gezondheid; Onderwijs; Inkomen en werk; Vrede en gerechtigheid; Politieke inspraak, zoals democratie of sociocratie; Sociale gelijkheid; Seksegelijkheid; Huisvesting; Netwerken; Energie; Water. (nvpv: het weze hier al opgemerkt: geld is niet opgenomen in de lijst van menselijke noden. Logisch: het is een middel.) De pijl ‘shortfall’ (tekort) duidt op het niet vervullen van dit sociaal fundament. Het gaat om meer dan louter economische noden. Terecht: een van de problemen van het economisch denken is dat het de mens louter economisch bekijkt en niet in de ruimere context van het mens-zijn. Alle menselijke noden zijn met elkaar verbonden.

Deze twaalf noden plaatst ze binnen een ecologische context: de wereld waarin we leven en waar we zelf deel van uitmaken. De buitenste, groene cirkel geeft de negen ecologische grenzen aan, het ecologisch plafond [5]: Klimaatverandering; Verzuring van de oceanen; Chemische vervuiling; Stikstof- en fosforverzadiging; Zoetwateronttrekking; Grondconversie; Vermindering biodiversiteit; Luchtvervuiling; Aantasting ozonlaag. De pijl ‘overshoot’ (overschrijding) duidt op het feit dat we de draagkracht van de planeet voorbijschieten.

Tussen deze twee ringen bevindt zich “de veilige en rechtvaardige ruimte voor de mensheid”. Het is het deeg van de donut, de lichtgroene ruimte op de tekening, tussen de twee groene cirkels. Ons handelen, dus ook het economisch handelen, dient te gebeuren in deze ruimte, binnen de ecologische grenzen en met respect voor het sociale fundament. Economie is goed bezig als ze zich tussen de twee ringen afspeelt. [6], [7]

Elk van deze punten werd kwantificeerbaar gemaakt op basis van 1 of 2 indicatoren. De afbeelding hieronder toont de huidige toestand van de mensheid en onze planeet. Ze noemt het zelf “een 'selfie' van de mensheid in de begindagen van de 21e eeuw”.

donut
De 'selfie' van de mensheid anno 2020.

De rode zones tonen de mate van tekorten (sociaal fundament) en overschrijdingen (ecologische plafonds). Het ziet er dus niet goed uit. Op alle twaalf sociale dimensies kennen miljoenen mensen een tekort terwijl we al minstens vier ecologische grenzen hebben overschreden. Om de anderen hun rechten (zelfbehoud, zelfrealisatie en verbondenheid) te garanderen, moeten we zorgen dat al het rood verdwenen is. Dat is onze plicht.

Raworth biedt een boeiend kompas voor de economie. Handelen binnen deze grenzen demarqueert onze menselijkheid. Buiten die grenzen werken berooft ons van die menselijkheid. Ze verlaat het idee om welvaart gelijk te stellen aan de hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten. Lees: ze verlaat groei als maatstaf van welvaart. De tekorten in het sociale fundament zijn onlosmakelijk verbonden met de overschrijdingen van het ecologisch plafond. Ik heb eerder cijfers gegeven die de band tussen plafond en fundament aantonen.[8] Het overschot aan geld is de grote boosdoener: “Iedereen die meer verdient dan wat nodig is om lichamelijk en geestelijk in leven te blijven, bouwt een overschot op. Er wordt dan de vraag gesteld: wat doe ik met dat overschot? Sparen voor de oude dag? Weggeven? Luxe kopen? … En dat vermogen kan groot zijn. Om je een idee te geven: “200 miljard (nvpv: het vermogen in 2020 van Jeff Bezos, de oprichter van Amazon) is meer geld dan jij zou hebben wanneer je $250.000 per dag had verdiend sinds de dag dat Jezus geboren werd.”[9] Tegelijkertijd leefden volgens de Wereldbank in 2015 ongeveer 689 miljoen mensen in extreme armoede. [10], [11]
Hoe meer vermogen je hebt, hoe meer overschot je hebt. En als je overschot heb, worden jouw verlangens voortdurend getriggerd. Verlangens voelen dan aan als basisbehoeftes. En net omdat je meer vermogen heb, –dus meer overschot– kan je daar aan toegeven. Moest ik dat overschot niet hebben, dan zou ik niet verleid (kunnen) worden. Zo zitten we in een soort van catch 22.
In ons artikel ‘Welvaart’ uit 1993 omschrijven we de triggers die verlangens tot behoeftes maken als preference drift en de reference drift. Als je geld over hebt, geef je het uit. Dus, als je veel geld over hebt, zal je veel uitgeven. En als je extreem veel geld over hebt, ga je extreem veel uitgeven. In de woorden van Romeinse dichter Juvenalis: “Als het geld toeneemt, groeit ook de hebzucht.” En dan spreken we altijd over de consumptie boven de basisnoden. [12]

Daarenboven zijn rijkdom en armoede relatief. Dat wil zeggen: we vergelijken onszelf met diegene rondom ons (reference drift). Dus je kan arm zijn binnen de eigen samenleving maar toch rijk als je jouw positie vergelijkt met de rest van de wereld. Met andere woorden je kan binnen je eigen samenleving (te) weinig consumeren (of alleszins dat gevoel hebben), maar veel in vergelijking met de rest van de wereld. Hoe dan ook: ongelijkheid heeft nefaste gevolgen voor de samenleving. In hun boek The Spirit Level (2009) sommen Kate Pickett en Richard Wilkinson een lijst op van de gevolgen. Naast uitholling van vertrouwen, toename van angst en ziekte, aanmoediging van overmatige consumptie, tonen ze aan dat elf verschillende gezondheids- en sociale problemen de resultaten aanzienlijk slechter zijn in meer ongelijke rijke landen: lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid, drugsmisbruik, onderwijs, gevangenisstraf, zwaarlijvigheid, sociale mobiliteit, vertrouwen en gemeenschapsleven, geweld, tienerzwangerschappen en welzijn van kinderen.[13]


Het arbeidsvraagstuk als zorgvraagstuk

Een mogelijke sleutel is onze motivatie om te werken? Publicist Jos Verhulst vatte het bondig samen: “De kern van het arbeidsvraagstuk is het volgende: willen we dat de werkende mens zijn werksituatie zelf kan bepalen, zodat hij kan werken vanuit intrinsieke motivatie, of willen we dat arbeid gebeurt op basis van extrinsieke motivatie?

Motivatie

Het bestaande economische systeem is gebaseerd op extrinsieke arbeidsmotivatie. Mensen die niet over voldoende kapitaal beschikken zijn gedwongen om een inkomen te verwerven door verkoop van hun arbeid op de arbeidsmarkt. Hun arbeid is dus in hoge mate extern gemotiveerd:
- ze werken niet omdat ze menen dat hun arbeid belangrijk is voor de anderen, maar omdat ze een inkomen nodig hebben;
- de concrete werkopdrachten krijgen ze van de koper van hun arbeid (de ‘baas’).” [14]

Verhulst verwijst uitgebreid naar het werk van prof. Edward Deci (1942), professor psychologie in Rochester en directeur van het ‘human motivation program’. Deci bouwde vanaf de jaren 70 verder op het werk van Robert White (effectance motivation - 1959), namelijk dat een persoon intrinsiek gemotiveerde gedragingen onderneemt om zich competent en zelfbepalend te voelen ten opzichte van zijn omgeving.[15] Drie psychologische basisbehoeften spelen volgens Deci een rol: autonomie, gevoel van competentie en sociale verbondenheid (belonging). Gedragswetenschapper Daniel H. Pink wijzigde belonging naar purpose, zingeving. Hij beschrijft purpose als het intrinsieke verlangen om dingen te doen in dienst van iets dat groter is dan onszelf, dingen die ertoe doen.[16] De drie basisbehoeften zijn dan:
- Autonomie: de vrijheid om een activiteit naar eigen inzicht te kunnen uitvoeren. Invloed op wat ik doe. Mijn leven kunnen sturen.
- Meesterschap: de wens om alsmaar beter te worden in iets belangrijks.
- Zinvol doel: het verlangen om wat ik doe, te doen in dienst van iets groters dan mezelf.

    De grijpgrage vingers van het geld reiken richting deze intieme sfeer.


    Volgens Deci en Pink kan de extrinsieke motivatie de intrinsieke motivatie ‘verdringen’ en teniet doen. Dat is wat in de economische sfeer gebeurt: onze marktwerking met zijn massa extrinsieke motivatoren dringt binnen in alle levenssferen, meestal in de vorm van geld. Gaandeweg heeft geld alle sferen in zijn macht gekregen. Het laatste bastion is de privésfeer. Ik ga mijn kinderen niet betalen als ze de afwas doen. En als ik morgen mijn zoon of mijn buur ga helpen met het snoeien van de hagen, of mijn dochter of mijn buur met het leggen van een vloer,… dan zou het ongepast zijn om daar geld voor te vragen.
    Maar ook hier komen barsten. De grijpgrage vingers van het geld reiken richting deze intieme sfeer. Een voorbeeld: vrienden mogen je wettelijk gezien niet zomaar gratis komen helpen bij het verbouwen van je eigen woning. Daar moet btw op worden betaald.[17] Nog een voorbeeld: een ouder die thuis op de kleine kinderen past en daarom niet gaat werken, dus geen inkomen heeft, wordt voor deze opvang van de eigen kinderen niet vergoed. Als ze de kinderen naar de crèche stuurt, worden de medewerkers van deze crèches wel vergoed via subsidiëring.[18] Dat klinkt logisch maar de thuisblijvende ouder wordt dubbel gestraft voor het thuisblijven: geen inkomen uit een ‘normale’ job en niet vergoed voor de opvoeding ondanks het feit dat deze ouder hetzelfde werk doet als een crèchemedewerker. Van potentiële waardecreatie voor de samenleving is hier nochtans geen verschil. De ouder wordt dus naar de arbeidsmarkt gelokt met financiële stimuli.

    De antropoloog-econoom Keith Hart spreekt in dit verband over twee sferen. Een sfeer die geassocieerd is met gezin, intimiteit, consumptie en onbetaald werk; de tweede sfeer wordt geassocieerd met betaald werk, discipline en vervreemding: “De moderne economie bestaat uit twee complementaire sferen die, ondanks hun onderlinge afhankelijkheid, gescheiden moeten worden gehouden. De ene is de markt: een sfeer van oneindige omvang waar dingen en in toenemende mate menselijke creativiteit worden gekocht en verkocht voor geld. De tweede is het huiselijke leven: een beschermde zone waar intieme persoonlijke relaties heersen. De markt is onbegrensd en in zekere zin onkenbaar, terwijl de grenzen van het huiselijke leven maar al te goed bekend zijn. Het verband tussen beide is dat sommige volwassenen […] gaan werken, om het geld te ‘verdienen’ waarvan het huishouden leeft. De economie van het huishouden berust op het uitgeven van dit geld en het verrichten van diensten zonder betaling. Het resultaat is een verhoogd gevoel van scheiding tussen een buitenwereld waarin onze menselijkheid zich bedreigd (swamped) voelt en een precaire zone van beschermde persoonlijkheid thuis. Deze dualiteit is het morele en praktische fundament van de kapitalistische maatschappij. Ze komt tot uiting in de institutionele scheiding van verkopen en kopen, productie en consumptie, inkomsten en uitgaven, werk en huis…”[19] Nogmaals: geld is niet de duivel, maar de manier waarop geld wordt gebruikt, is een spiegel van de maatschappelijke verhoudingen in onze geglobaliseerde en neoliberale samenleving: onze beschermde zone wordt opengebroken en onze relaties gedepersonaliseerd.[20]
    Ook de econoom Tim Jackson, professor aan de Universiteit van Surrey, ziet een dualiteit, die tot op zekere hoogte samenvalt met de vorige.[21] “Misschien leven we al in een duale maatschappij. In de ene sector, laten we die de ‘snelle’ sector noemen, jaagt de versnelde technologische ontwikkeling een snelle productiviteitsgroei aan en behaalt enorme dividenden voor de kapitaaleigenaren. In de andere sector, laten we die de ‘langzame’ sector noemen, is verbetering van arbeidsproductiviteit steeds onhaalbaarder, staan de marges onder druk, dalen de lonen en wordt investeringen moeilijk of onmogelijk. […] De snelle sector is er vooral op gericht om mensen die in de massaproductie van materiële goederen werken te laten vervangen door machines. De langzame sector hangt intrinsiek af van menselijke waardigheden en taken. In deze sector gaat het meer om diensten die we aan elkaar leveren dan om materiële goederen. Hier is de tijd die we investeren belangrijker dan de spullen die we verkopen. De activiteiten in deze sector zijn intrinsiek minder schadelijk voor de planeet.” Voor Tim Jackson is het deze sector die voorspoed levert. “Gezondheid, banen, langere levensduur, creativiteit, duurzaamheid, vervulling. Ons toekomstig welzijn hangt af van de veerkracht van deze economie. Dit is de economie die we moeten redden, want zij is bij uitstek de basis voor de postgrowth-economie.” Deze trage sector staat zwaar onder druk. Er zijn voortdurend pogingen om deze sector, die vooral not-for-profit is, in een for-profit-raamwerk te steken. Met alle gevolgen van dien. Kijk naar het gevangeniswezen in de USA, de woonzorgcentra in België, … Als dat niet kan of niet lukt, worden de betrokkenen stiefmoederlijk behandeld: besparingen, efficiëntie-oefeningen, ….

    Zorg is liefde in actie. Economie is liefde in actie.

    Terug naar onze intrinsieke en extrinsieke motivaties. Onze samenleving legt de nadruk op de extrinsieke motivatie, ondanks het feit dat dit de sterkere intrinsieke motivatie aantast: we worden verleid om te gaan werken omdat we anders geen inkomen hebben; we blijven op een werk dat ons niet zint, omdat we anders geen werkloosheidsuitkering krijgen; bonussystemen zijn meestal financieel van aard; ondernemingen doen aan prijsvorming gebaseerd op winstmaximalisatie, … Er is wel een lichtpunt: als onze activiteiten plaatsvinden in het kader van een groter doel (purpose), dan wordt hun intrinsieke motivatie sterker en amper of niet ondermijnd door extrinsieke prikkels.[22] Daarom vind ik de plichtenleer van Simone Weil interessant.[23] Haar focus ligt op de rechten van anderen. Plichten gaan bij Weil altijd over plichten tegenover de andere. Dit kan de basis zijn om onze purpose een intrinsieke motivatie geven. Ze zijn niet-juridisch van aard. Ze zijn niet afdwingbaar. Het spreekt ons diepe innerlijke aan ten behoeve van iets buiten ons, de ander. Het feit dat we (nvpv: ik dus ook) zo sterk staan op onze rechten, past wonderwel bij onze neoliberale samenleving: het is op onszelf gericht. Ayn Rand in de praktijk (zie hierna).

    Heel deze omweg over motivatie brengt ons terug naar de basisvraag: Moeder, waarom werken wij?[24] Onze motivatie om te werken zou moeten voortvloeien uit de basisopdracht van de economie. Economie heeft een sociale, dienende functie. Dat geeft purpose aan ons handelen. Ik werk om mee te zorgen voor de materiële bestaanszekerheid van anderen. Bij uitbreiding vormt zorg de basis en de methode van al onze handelingen: zorg voor de ander, zorg voor de omgeving, zorg voor jezelf … Je zou kunnen zeggen: zorgen voor het realiseren van de donut economie. Zorg is liefde in actie. Economie is liefde in actie. Over een paradigmaverschuiving gesproken!

    Tussendoor: Ayn Rand

    Een klein tussendoortje over ‘de andere kant’. Ayn Rand, de invloedrijke filosofe die het egoïsme sexy heeft gemaakt, is absoluut tegen deze benadering. Ze is akkoord dat economie een morele dimensie heeft. “De grote fout ... is dat men aanneemt dat economie een wetenschap is die geïsoleerd kan worden van morele, filosofische en politieke principes, en beschouwd kan worden als een onderwerp op zich, zonder relatie daarmee. Dat kan niet.” Maar ze wijst het altruïsme van de hand voor een kapitalistische samenleving, “het enige morele systeem in de geschiedenis is dat de individuele rechten kan handhaven en beschermen.”
    Volgens Rand houden we ofwel vol dat de mens een moreel recht heeft om voor zichzelf te bestaan en zijn geld uit te geven volgens de eigen voorkeuren, of we aanvaarden dat de mens een morele plicht heeft om zijn medemensen te dienen en het geld dat hij heeft verdiend te laten gebruiken of af te staan volgens de behoeften van de medemensen. Dit altruïsme vond Rand volledig absurd. “Geen mens kan het recht hebben een ander mens een niet gekozen verplichting, een niet beloonde plicht of een onvrijwillige dienstbaarheid op te leggen. Er kan niet zoiets bestaan als ‘het recht om iemand tot slaaf te maken’. Een recht omvat niet de materiële uitvoering van dat recht door andere mensen; het omvat alleen de vrijheid om die uitvoering door eigen inspanning te verdienen.” En de mens doet dat om egoïstische motieven. In haar moraliteit is egoïsme het leidende principe. “De exacte betekenis van het woord ‘egoïsme’ is: bezorgdheid om het eigen belang. En in feite is het in niemands belang om een moordzuchtige bruut te worden. Dat leidt alleen maar tot pijn en ellende.”
    Om het kapitalisme overtuigend te verdedigen, aldus Rand, moeten de voorstanders ervan met trots de onvervreemdbare rechten van de mens verdedigen en ongekozen plichten luidkeels verwerpen. “Kapitalisme en altruïsme zijn onverenigbaar; het zijn filosofische tegenpolen; ze kunnen niet samen bestaan in dezelfde mens of in dezelfde maatschappij.”[25] Het zal je niet verbazen: ik sta veraf van haar benadering.

    Basisinkomen

    Bij het zorgparadigma komen we een eerste reden tegen om inkomen en arbeid radicaal te scheiden. Door een universeel basisinkomen te voorzien valt de extrinsieke motivatie ‘werken voor mijn inkomen’ weg. ‘Werken voor de ander’ schept de ideale bedding voor een sterke, intrinsieke motivatie.

    Een tweede reden voor het basisinkomen: iedereen verdient materiële bestaanszekerheid. Dat is een van de initia, een mensenrecht.[26] Dat wil zeggen, ook zij die als zelfstandige aan de slag zijn of niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst hebben dit recht: de kinderen, de thuisblijvende ouder, de dakloze, de zieke, de gepensioneerde, liefdadigheidswerker, de migrant, … Als mensen geen geld hebben, hebben ze evenmin toegang tot de producten en diensten die ze nodig hebben. Een van de oorzaken is de verstrengeling van arbeid en inkomen:
    - De inzet van arbeid is een economische vraag. Hoe kunnen we de capaciteiten van mensen inzetten in de waardecreatie?
    - Het inkomen daarentegen is een sociale vraag. Iedereen heeft recht op het bevredigen van de basale behoeftes. Een basisinkomen biedt ieder de vrijheid om besteding in te vullen naar eigen inzicht. In deze zin vormt het verwerven van een inkomen geen fundamenteel onderdeel van de economie, maar geeft een antwoord op een rechtsvraag. Veel initiatieven rond het basisinkomen zitten in deze sfeer. Zo is er het Belgische Eight.World dat maandelijks onvoorwaardelijke geldtransfers organiseert aan mensen in extreme armoede. Eenvoudige gsm’s, mobile money en onze steun, meer is niet nodig. Het trekt hen uit het moeras en zet hen op weg naar zelfredzaamheid. [27], [28]

    De derde reden voor het basisinkomen zit buiten het economische begrip zoals dat vandaag wordt gehanteerd. Veel van de economische resultaten ontstaan immers op een substraat van activiteiten die niet onder de categorie ‘economie’ vallen, maar die enorme invloed hebben op het economische weefsel. Een voorbeeld is de opvoeding. De samenleving heeft voortdurend nood aan nieuwe ideeën, nieuwe antwoorden op nieuwe uitdagingen en vragen. Zonder deze ideeën zou onze economie droog vallen. Het basisinkomen schept ruimte voor deze creativiteit. Elke nieuwgeborene wordt geboren met een verwachting: ‘Maak er iets van!’. Het Arendtiaanse memento nasci. Iedere nieuwgeborene zou van de samenleving daarom een zekere vorm van krediet moeten krijgen. En dit krediet is iets dat levenslang nodig is. Want elke dag opnieuw wordt aan ieder van ons de vraag gesteld om er iets van te maken. Ieder van ons zou daarom een vorm van krediet moeten krijgen. Dat gebeurt in de vorm van het basisinkomen, niet als een vervangingsinkomen, maar als een basiskrediet.[29] Het basisinkomen creëert bij ieder van ons een levenslange vrijplaats, een vrije ruimte voor de homo ludens (Schiller). Hier komt enorm veel sociaal potentieel vrij.

    Nog vier opmerkingen:
    1. Het bedrag van het basisinkomen moet niet hetzelfde zijn voor iedereen, maar wordt contextueel bepaald: afhankelijk van het land waar je woont, de plaats waar je woont, de leeftijd … zolang het maar onvoorwaardelijk is en niet op en neer fluctueert met de economische situatie. Democratische beslissingen spelen bij het bepalen ervan een belangrijke rol spel. (zie hieronder).
    2. Door de loskoppeling van arbeid en inkomen, los je een deel van de problemen op die de robotisering en digitalisering zullen veroorzaken de volgende decennia. Werken slaat op waardecreatie voor de samenleving en dat is veel breder en rijker dan wat vandaag wordt begrepen onder economisch handelen, dat zich beperkt tot alle activiteiten die bijdragen tot het bruto binnenlands product (bbp).
    3. Het basisinkomen wordt gefinancierd door onze gezamenlijke economische inspanning.
    4. “Tot slot: het basisinkomen kan enkel worden ingevoerd indien in de geesten en zielen van de betrokkenen (nvpv: stakeholders) in voldoende mate de menskundige en maatschappelijke inzichten leven die met de invoering ervan in overeenkomst zijn. Het basisinkomen dient, vanuit inzicht en liefde voor de zaak, door voldoende mensen te worden gewild”. (Jos Verhulst) [30]



    Armoede en rijkdom

    Hoe kunnen we armoede uit de wereld helpen? Daarover is al enorme veel inkt gevloeid. Vele organisaties wijden zich aan armoedebestrijding[31]. Daartegenover staat amper een strijd tegen te grote rijkdom. Dat zouden we nochtans moeten doen. De vraag: hoe bestrijden we de armoede, is ook een antwoord vinden op de vraag wat we gaan doen met te veel rijkdom in de handen van te weinigen. Extreme rijkdom leidt immers tot misbruik (zie hierboven). De meest interessante benadering hierover is deze van de Belgische econome en filosofe prof. Dr. Ingrid Robeyns, hoogleraar aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Sinds enkele tijd krijgt haar idee, het limitarisme, steeds meer en meer aandacht. In het kort komt dit hierop neer: net zoals we een armoedegrens hebben waar niemand onder zou mogen vallen, moeten we een vermogensgrens vaststellen waar niemand bovenuit zou mogen gaan. Ingrid Robeyns noemt dit de limitarische grens of limitarische drempel.

    Armoede is een moreel probleem. Rijkdom is dat ook.

    ‘Wat is een fair inkomen?’ Als je deze vraagt internetgewijs opzoekt, vind je vooral antwoorden op de armoedevraag. Een fair inkomen wordt gelijkgesteld met een individueel leefbaar inkomen voor een individu of een gezin, boven de armoedegrens.[32] De vraag ‘Kan een mens te rijk zijn?’ lijkt amper te bestaan. Dat is symptomatisch voor ons neoliberaal economisch denken dat het individu centraal stelt, want als je de samenleving mee in beschouwing neemt, wordt het een ander verhaal. Fair betekent dan: fair voor het individu en fair voor de samenleving. Wat dat laatste betreft wijst de koppeling van de donut economie met de nefaste gevolgen van te veel geld (zie hoger) in de richting van het antwoord: ‘Ja, een mens kan te rijk zijn.’
    - Rijke mensen zijn veel meer verantwoordelijk dan alle andere mensen voor het rood kleuren van onze donut.
    - Rijken gebruiken onvermijdelijk te veel middelen. Wat iemand tot zich neemt, is niet meer beschikbaar voor de anderen. Een groot vermogen is al helemaal aanvechtbaar als anderen tekort komen. Als we armen willen helpen dan is het begrenzen van de grote rijkdom een eerste stap.
    - Hoe raar het ook moge klinken: volgens onze huidige economische principes geven rijke mensen zelfs te weinig uit. Ze versassen het meeste van hun vermogen naar de geldeconomie om daar extra vermogen op te bouwen. Geld dus als doel, niet als middel. Dat geld is dan niet meer beschikbaar als injectie voor onze economie en genereert weinig activiteit in de reële economie. Het zogenaamde "doorsijpeleffect" in de economie (de “trickle-down”-theorie) is daardoor een fabeltje. (zie deel 2. De Storm)
    Voor alle duidelijkheid: ik heb niets tegen rijke mensen. Maar we moeten de problemen onder de ogen zien. De rijken dragen amper bij tot de oplossing van de economische problemen, waarvan ze deels een oorzaak zijn. Ze zien de problemen amper. In een opinieartikel in de New York Times (11-11-2019) schreef econoom en Nobelprijswinnaar Paul Krugman: “Miljardairs zijn niet noodzakelijk slechte mensen, en waarschijnlijk zijn de meesten onder hen dat ook niet. Sommigen zijn dat echter wel, en mijn onwetenschappelijke gevoel zegt dat miljardairs, vaker dan de rest van ons, over een slecht beoordelingsvermogen beschikken. En dat wordt aangetast, vooral in de politieke sfeer, door de op hol geslagen ego‘s”

    Dit alles heeft een ethische en economische dimensie. Armoede is een moreel probleem. Rijkdom is dat ook.[33] Voor alle duidelijkheid: het probleem is niet opgelost als we de armen rijker maken door de rijken armer te maken (allez, minder rijk). Als Jeff Bezos morgen zijn geld gelijk zou verdelen over alle bewoners van Gaia, dan is het armoedeprobleem niet opgelost. Herverdeling moet ingepast worden in een breder kader. Dat is wat deze bijdrage probeert te schetsen.

    Hoe rijk mag iemand zijn?

    Maar wat is ‘te rijk’? Hoeveel vermogen mag iemand hebben? Hoe bepalen we dit bestaansmaximum en hoe maken we het tot een beleidsinstrument? Ik ben bijvoorbeeld niet tegen vermogensbelastingen maar het lost niks op als deze niet worden bekeken in het licht van de basisvraag: hoe rijk mag iemand zijn? Ingrid Robeyns stelt dat de limitarische grens daar ligt waar “bijkomend inkomen geen verschil meer maakt voor je menselijke welzijn, ontplooiing en floreren. In theorie is dat niet zo moeilijk te bedenken. Je zou de grens kunnen trekken daar waar extra geld zo goed als niets meer toevoegt aan iemands kwaliteit van leven.” [34] Ingrid Robeyns deed recent een onderzoek bij de Nederlandse bevolking. “Het eerste resultaat van onze studie is dat er grote overeenstemming is over waar de rijkdomsgrens ongeveer zou moeten liggen. Ongeveer 67 procent van onze respondenten legt de rijkdomsgrens ergens tussen een kapitaal van 1,2 en 2,7 miljoen euro. Daarnaast is bijna 83 procent het erover eens dat een familie met meer dan 2,7 miljoen aan kapitaal extreem rijk is. Er lijkt dus consensus te zijn dat mensen echt niet meer dan 3 miljoen euro aan totaal kapitaal nodig hebben om een zeer welvarend leven te leiden.”[35] Ik vind dat de respondenten een verrassend schappelijk bedrag opgaven als rijkdomsgrens. Ik had verwacht dat ze 1 miljoen euro zouden zeggen. Wat vinden de rijken trouwens over deze rijkdomsgrens? “Een absurd idee", vindt Paul van Riessen, hoofdredacteur Quote, het tijdschrift over en voor de rijke Nederlanders: "De grens van 2,2 miljoen is veel te laag. Daar kun je echt nog niet zó veel mee.” (sic) Hij denkt dat je pas écht rijk bent als je zo’n 8 miljoen aan vermogen hebt.[36]
    De vraag naar een inkomensgrens is absoluut relevant voor de samenleving. De vraag die zich opdringt is of hier beleidsvorming rond wenselijk is en hoe we deze grens bepalen?

    Meer dan een basisinkomen, onder de rijkdomsgrens

    Het basisinkomen dient om iedereen boven de armoedegrens te krijgen en tevens als stuwende kracht voor het substraat van onze economie. Geld is hier een toekomstgericht basiskrediet dat vrijheden creëert. De bovengrens (rijkdomsgrens) wordt bepaald door de limitarische grens. Niemand zou meer vermogen mogen hebben dan deze grens. Een fair inkomen ligt dus ergens tussen het basisinkomen en de rijkdomsgrens. Hoe kan iemand dan meer verdienen dan het basisinkomen? Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik dit punt moeilijk vind. Een kort overzicht van mijn studiewerk tot nu toe:

    Uiteraard moet er ook gewerkt worden. Onze arbeid creëert waardevermeerdering (goederen en diensten) ten behoeve van de samenleving. De samenleving kan dan de gepresteerde arbeid belonen voor de waardevermeerdering. Dat heeft twee aspecten: Wat belonen we? Hoe belonen we?

    Wat belonen we?
    Wat belonen we? De gepresteerde tijd? De waardevermeerdering? En hoe bepaal je een waardevermeerdering die pas veel later tot verwerkelijking komt (bijv. opvoeden). Mijn intuïtieve voorkeur gaat uit om de gepresteerde tijd te nemen als basis voor het extra inkomen. Dit komt uitgebreider aan bod in de volgende bijdrage Moeder waarom werken wij? 5. Het vriendelijke bedrijf.
    Vergoeden we iedereen hetzelfde of naargelang de uitgevoerde taak? Robeyns suggereert het laatste. “Ten dele is enige mate van loonongelijkheid gerechtvaardigd vanuit efficiëntieoverwegingen: we willen als samenleving gewoon dat we genoeg chirurgen hebben, en het helpt dan om mensen die talentvol zijn op dit gebied een goede beloning in het vooruitzicht te stellen. Als een potentiële chirurg evenveel kan verdienen als yogaleerkracht of als boekenverkoper, is het maar de vraag of we als samenleving genoeg chirurgen zullen hebben.” Dit is een eigenaardig argument en eigenlijk in tegenspraak met onze zoektocht naar interne motivatie.
    Mijn aanvoelen zegt nu: We betalen uren en iedereen krijgt dezelfde uurprijs. Maar ja, hoe tellen we de uren van bijvoorbeeld van iemand die in de zorgsector werkt of huisman is. Op dit punt ben ik nog aan het worstelen.

    Hoe betalen we iemand?
    Hoe betalen we iemand? Met geld? In tijd? Een ander systeem? Mijn aanvoelen zegt: een uur voor een uur (timebanking). Dit komt aan bod in de vijfde bijdrage. Hier volstaat het om de volgende punten al aan te stippen:

    • Werk of arbeid is geen handelswaar. Daarom kan arbeid geen prijs hebben.
    • We verlaten het loonsysteem als “de tegenprestatie van arbeid die in uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht”.
    • Werknemer-werkgever-relatie bestaat niet meer. Het gaat over ieders vrijwillige bijdrage in de waardecreatie voor de samenleving, gebaseerd op ieders talent, ieders tijd, … Samen produceren we de meerwaarde.
    • Dit opent een heel ander perspectief: “het opbouwen van sterke gezinnen, het nieuw leven inblazen van buurten, het doen functioneren van de democratie en het bevorderen van sociale rechtvaardigheid”, kortom het opbouwen van het substraat, kunnen in deze nieuwe aanpak ook beloond worden.
    • Het aantal uren dat een persoon wenst in te zetten is absoluut vrij. Daar maak de persoon zelf afspraken rond met de mensen, de gemeenschap waarin/waarmee de persoon werkt. Dat is een vrijheidsmoment.
    • Ook consumptie is een vrijheidsmoment. Wat iemand verdient, kan iemand in alle vrijheid consumeren. Niemand kan zich bemoeien met wat iemand consumeert, tenzij vanuit een rechtvaardigheidsvraag, bijvoorbeeld de onrechtvaardige omstandigheden waarbij iets wordt geproduceerd.


    Het stervende geld

    Mijn tante L. poneerde jaren geleden al: “Niks zo gemakkelijk als geld: het groeit vanzelf aan.” Geld verdienen met geld is iets wat we allemaal gewoon vinden. Als we geld lenen om een huis te kopen vinden we het normaal dat we daarvoor interest betalen. Maar waarom is dat normaal? Voor Kate Raworth (ja, die van donut economie) is die interest of rente een groot probleem: “Ik ben het er absoluut mee eens dat hoe geld wordt gecreëerd heel veel uitmaakt en dat geld door schuld, met rente, in omloop wordt gebracht (nvpv: het merendeel van het geld dus) oneindig, doorgaande, geforceerde groei veroorzaakt en een steeds groter wordende ongelijkheid.”[37]
    In het eerder aangehaalde werkdocument zit Jos Verhulst op dezelfde lijn: “Een fundamentele aberratie van het kapitalisme lijkt hierin te bestaan dat het proces van geldschepping en geldvernietiging, van krediet toestaan en krediet inlossen, niet wordt weerspiegeld in de geldcirculatie. Het geld wordt niet tot waardeloos papier wanneer de ermee overeenstemmende productie is opgesoupeerd. Het geld is niet gebonden aan de reële economie, maar het circuleert wild - op zoek naar ‘rendement’. Daarbij vertoont het onvermijdelijk de tendens om zich te gaan hechten aan zaken die mensen nu eenmaal nodig hebben om te kunnen leven. Want wie via geld levensnoodzakelijke aspecten van het mens-zijn controleert, heeft macht waarmee ‘rendement’ kan worden afgedwongen.” [38] Als voorbeelden haalt Verhulst patenten, auteursrechten en grondrechten aan.

    Geld als Pac-Man

    Er worden enorme winsten gemaakt in het domein van pensioenen, woonmarkt, gezondheidszorg, … zaken die allemaal behoren bij het bestaansrecht. De Groene (19 augustus 2020) schrijft bijvoorbeeld over de nood op de Nederlandse woningmarkt. “Meer huizen bouwen werd vaak genoemd als oplossing; daarbij werden de financiële oorzaken van hoge huizenprijzen over het hoofd gezien. Buitenlandse investeerders kochten vorig jaar voor zeven miljard aan Nederlandse woningen op, met gevolgen voor woningprijzen en voor de huren.” Het zijn vermogensinvesteerders die de woonmarkt ontwrichten. Nog een voorbeeld is het recente schandaal rond Medicare in de USA. De titel van een recent artikel in de New York Times (8-10-2022) hierover spreekt boekdelen: ‘The Cash Monster Was Insatiable: How Insurers Exploited Medicare for Billions.’ Geld als Pac-Man.

    In het verleden hebben heel wat economen en filosofen praktijkgerichte oplossingen geopperd om deze wanpraktijken onmogelijk te maken door via het monetair beleid geld een tijdelijk karakter geven. Drie boeiende figuren:

    Rudolf Steiner (1861-1925) bijvoorbeeld was overtuigd dat veroudering van geld een belangrijke hefboom was voor de economie. Hij wilde de ontkoppeling van de financiële en reële economie structureel ongedaan maken door geld te laten ‘slijten’. Hierdoor ontneemt hij het eeuwigdurende geld zijn voordeel tegenover de goederen, die sowieso ‘slijten’. Steiner identificeerde drie soorten geld:
    - Koopgeld: wordt gebruikt voor consumptie van goederen en diensten.Leengeld: geld wordt bijeengebracht voor het opbouwen van nieuwe initiatieven (ondernemingen, nieuwe productiemiddelen,…).
    - Leengeld is uit de aard zelf productiever dan koopgeld. Om uitlenen aantrekkelijk te maken, wordt meestal rente in het vooruitzicht gesteld. Dat hoeft geen geld te zijn. Ontlener en lener kunnen gelijk welke modaliteiten overeenkomen.
    - Schenkgeld: dit is het geld met de hoogste productiviteit omdat we hiermee het substraat mogelijk maken waardoor economie kan floreren. Onder meer: onderwijs, opvoeding, wetenschap, gezondheidszorg, cultuur,… Dit is langetermijndenken.
    Er is een overaanbod aan kapitaal dat op zoek is naar winst en er is een enorm gebrek aan schenkgeld. Zonder een riante stroom van schenkgeld kan de economie op de langere termijn niet blijven draaien (nvpv zie ook derde punt basisinkomen).
    Voor Steiner kan arbeid nooit een handelswaar zijn. Wat we wel kunnen kopen (en wat dus wel een prijs kan hebben) zijn de vruchten van wat we creëren. Deze zijn het resultaat van diepe menselijk creativiteit, toegepast op economische waardecreatie. (De essentie van kapitaal en geld is dat zij gerealiseerde geest zijn). [39]

    Steiner was niet de enige en ook niet de eerste. Reeds in 1891 publiceerde Silvio Gesell (1862 - 1930) – financieel theoreticus en sociaal hervormer geboren in Sankt Vith – zijn eerste werk, “Die Reformation im Münzwesen als Brücke zum sozialen Staat”. Hij stelde een nieuw soort papiergeld voor met een vervaldatum. Hij stelde voor om de biljetten periodiek en tegen betaling een stempel te geven. Zonder nieuwe stempel zou het geld langzaamaan uitgedoofd worden. Alleen consumeren of investeren vermijdt het verval van geld. Geld oppotten (sparen) kost dus geld. Volgens Gesell is het probleem van geld dat het twee conflicterende rollen vervult: een opslagplaats van rijkdom en datgene waarmee je iets koopt op de markt. Het feit dat geld een opslagplaats van waarde is, maakt dat mensen in geval van crisis hun geld gaan opsparen en zo de economie, de markt stil leggen. Het leidt, zei Gesell, tot een situatie van “armoede temidden van overvloed.” Gesell noemde dit geld "vrij geld" (of Freigold) - vrij van oppotten en ook omdat het bankiers zou aanmoedigen om geld vrij van rente uit te lenen.[40] John Maynard Keynes was sterk geïnspireerd door het anti-marxistische socialisme van Gesell en noemde het een inspiratiebron voor zijn geldtheorie.[41] In 1936 wijdde hij vijf pagina's aan Gesell in een afsluitend hoofdstuk van zijn magnum opus, The General Theory of Employment, Interest and Money.[42]

    Er zijn steeds meer aanhangers van dit systeem van negatieve rente op geld. Een recente ‘van bij ons’ is de Belgische econoom Bernard Lietaer (1942-2019). Hij stelt voor om rente op investeringen te vervangen door een negatieve rente. Iedereen moet jaarlijks een vergoeding betalen opdat zijn geld geldigheid behoudt. Zo krijg je een geleidelijke waardevermindering in plaats van waardevermeerdering door rente. “Positieve rente leidt automatisch tot een verdiscontering van onze toekomst: toekomstige winsten zijn minder waard teruggerekend in geld van vandaag. Dit betekent dat huidige opbrengsten vaak voorkeur genieten boven toekomstige opbrengsten en er met een kortetermijnvisie met geld wordt omgesprongen. Door de rente om te keren, kunnen we een systeem construeren dat de toekomst naar waarde schat.”[43]

    Geld moet circuleren


    Belgen spaarden in 2020 maar liefst 23 miljard euro meer dan normaal. Dat is dood geld. Geld moet circuleren. Pas dan krijgt het waarde. “Geld dat rolt, brengt geld. Geld dat blijft, brengt dood.”, is de fameuze uitspraak van dr. Aziz in Overtocht naar India.[44] Als geld zelf een product wordt, bijvoorbeeld voor vermogen op te bouwen, stopt of vermindert de circulatie. Door geld een houdbaarheidsdatum te geven, duwt ge het geld naar de markt, als koopgeld, leengeld of schenkgeld, om de drie geldkwaliteiten van Rudolf Steiner te gebruiken. Het meest gekende voorbeeld van dergelijk ‘stervend’ geld is de Oostenrijkse stad Wörgl. In 1932 voerde de burgemeester Michael Unterguggenbergerl een lokale munt in die elke maand 1% van zijn waarde verloor. Dit gaf de houders een stimulans om het geld zo snel mogelijk uit te geven en zo hun consumptie te verhogen. Dit experiment werd gelanceerd als reactie op de Grote Depressie en was bedoeld om het oppotten van geld te ontmoedigen.

    Freigeld Wörgl
    Het Freigeld uit Wörgl. Rechts zie je de zegeltjes die zorgden voor de maandelijkse ontwaarding.

    De munt bleek een groot succes in Wörgl en andere Oostenrijkse steden planden soortgelijke experimenten. De munt werd eind 1933 door een administratieve rechtbank verboden. Dat is niet verwonderlijk want “De les uit het verleden is […] dat het centraliseren van macht gepaard gaat met één munt, met uitsluiting van de concurrerende munten en kredietsystemen. Want centrale banken waren vanaf de aanvang gewoon ondernemingen met particuliere aandeelhouders, die hun concurrenten de pas afsneden door het geld te monopoliseren.”[45]


    Radicale democratisering

    Economie is een van de cruciale thema’s van beleid. Er zijn een aantal punten waarover we beslissingen moeten nemen [46]. In deze bijdrage brachten we al ter sprake:
    - Het basisinkomen, met name de vraag van de gehanteerde criteria
    - De limitarische drempel (de rijkdomsgrens)
    - Waarom en hoe worden onze inspanningen boven het basisinkomen beloond? Op basis van tijd? Met geld? Een hybride oplossing?
    - …

    Enkel een voortdurende en diepe democratie is de juiste weg. Ik gebruik het woord diep om het te onderscheiden van de huidige oppervlakkige democratie. De kern van de democratie is dat “uit de veelheid van meningen een gezamenlijk draagvlak wordt gecreëerd, uitgaande van het respect voor elkaars autonomie.” We komen gezamenlijke tot een besluitvorming via het bijeenbrengen, vergelijken, aftasten, afwegen,… van de individuele motivaties. Dat kan gebeuren op het institutioneel niveau (bedrijf,…) of op het politieke niveau (gemeente, land,…). Ingrid Robeyns zegt over hierover: “De democratie vergt dat iedereen een gelijke kans heeft om een stempel te drukken op de politieke processen van collectieve besluitvorming. Maar de invloed van geld op het politieke proces leidt tot een grote ongelijkheid in de mate waarin burgers de politieke agenda kunnen beïnvloeden. Doordat de extreem rijken in grote mate samenvallen met de vertegenwoordigers van het grootkapitaal, krijgt het grootkapitaal een disproportionele invloed op het overheidsbeleid. Burgers die gewone arbeiders of werknemers uit de publieke sector of het kleinbedrijf zijn, hebben zelden meer macht dan via de stembus, terwijl de burgers wier belangen samenvallen met het grootbedrijf een veel grotere stem hebben in de besluitvorming. Dat is geen democratie meer.” [47]
    Dit is ook de centrale stelling van Saez en Zucman, beiden professor aan de University of California, in hun boek The Triumph of Injustice. Ze vinden dat het tijd is dat we onze belastingen terug op orde brengen. Dat is een democratische opdracht. Belastingen zijn immers bepalend voor de rest. "Rijkdom is macht. Een extreme concentratie van rijkdom betekent een extreme concentratie van macht," schrijven ze. "We hadden kunnen kiezen voor een deftig beleid (coordination) en dat hebben we niet gedaan. We hadden ervoor kunnen kiezen om multinationals ervan te weerhouden winsten te boeken op plaatsen met lage belastingen, maar we laten ze hun gang gaan. We kunnen andere keuzes maken, te beginnen vandaag.” [48]

    Koningin Elizabeth II had het door


    Economie is geen exacte wetenschap. Dat is een tweede reden om economie in het veld van de democratie te brengen. Exacte wetenschap, zoals bijvoorbeeld fysica, onderzoekt welke wetmatigheden spelen in de fysieke wereld. Bijvoorbeeld de eerste wet van Newton[49] was juist in 1687, was juist in 1087 en zal juist zijn in 2087. Als ik een bal een duw geef, dan weet ik dat de bal zal voortrollen. Gisteren, vandaag en morgen. Daarover gaan we niet democratisch stemmen.
    In de economische werkelijkheid is dat anders. Daar bestaan dergelijke wetten niet (hoe graag economisten dit ook willen). “In november 2008 bezocht koningin Elizabeth II de London School of Economics, die over een van ’s werelds meest gerespecteerde economische faculteiten beschikt. Toen een van de hoogleraren, Luis Garicano, een presentatie gaf over de financiële crisis waar de wereld zojuist door getroffen was, vroeg de koningin: ‘Hoe komt het dat niemand dit heeft zien aankomen?’” [50] Dit was de vraag die iedereen stelde sinds het uitbreken van de crisis in het najaar van 2008. De economen en politici schreven dan maandenlang aan een rapport voor hare Majesteit. Maar ze hadden geen echt antwoord, buiten wat gestotter zoals ‘dat ze door de bomen het bos niet meer zagen’.[51]
    De economische werkelijkheid van 2023 is volledig anders dan die van 1023. Wij bewegen met die wijzigende werkelijkheid mee. We bepalen deze werkelijkheid mee. Wij zijn deze werkelijkheid. Mij lijkt het dan niet meer dan normaal dat de ‘meebewegers’ ook mee kunnen spreken en beslissen over de beweging. Hoogtijd voor een grote democratische recuperatie van onze economie.[52]


    Bij wijze van conclusie: Moeder, waarom werken wij?

    En zo kunnen we langzaam een eerste landing inzetten. In deze bijdrage wilde ik een mogelijke weg uit ons economisch kluwen schetsen. Een algehele conclusie zal ik geven in het Naschrift (maart). In grote lijnen komt deze bijdrage hier op neer:

    1/
    Altruïsme en waardemaximalisatie zijn de uitgangspunten van een toekomstige economie. Dit vloeit dwingend voort uit de mensenrechten, de initia (zelfbehoud).

    2/
    We volgen de regels van de donut: ons economisch handelen dient zich af te spelen met respect voor het sociale fundament en binnen de ecologische grenzen.

    3/
    Zorg is het centrum van ons economisch handelen. Mensen werken samen om uit zorg voor de medemens, omgeving en zichzelf het economisch vraagstuk op te lossen.

    4/
    We verkiezen dat de mens kan werken vanuit intrinsieke motivatie (purpose) boven de extrinsieke motivatie (financiële stimuli). We werken voor de ander niet voor onszelf. Daarom scheiden we arbeid en inkomen en stellen een universeel en onvoorwaardelijk basisinkomen in. De tweede reden voor het instellen van het basisinkomen is dat iedereen materiële bestaanszekerheid (zelfbehoud als mensenrecht) verdient.

    5/
    Toekomstgericht economisch handelen heeft voortdurend nood aan nieuwe ideeën, nieuwe antwoorden op nieuwe uitdagingen en vragen. Zonder deze ideeën zou onze economie droog vallen. Het basisinkomen schept ruimte voor deze creativiteit, het creëert bij ieder van ons een levenslange vrijplaats voor de homo ludens (Schiller).

    6/
    Door te werken kan iedereen extra verdienen boven het basisinkomen.

    7/
    Omdat overdreven rijkdom leidt tot aantasting van onze donut, stellen we een bovengrens aan deze rijkdom: de limitarische grens of drempel.

    8/
    Het monetair systeem wordt zo georganiseerd dat de waarde van geld gecontroleerd afneemt met de tijd.

    9/
    Omdat mensenrechten de basis zijn voor de ommezwaai, dienen onze maatschappelijke structuren dit te faciliteren en te ondersteunen. Hier ligt een enorme opdracht voor de politieke sfeer die geen economisch wereldbeeld (kapitalisme, socialisme, liberalisme, …) dient te promoten maar wel rechtvaardigheid in de samenleving dient na te streven.

    10/
    Een diepe democratisering van de samenleving is de noodzakelijke voorwaarde voor de paradigmaverschuiving: mensen verbinden zich vanuit hun intrinsieke motivatie met elkaar en maken afspraken over de plichten en rechten van de deelnemers.

    Naar de volgende stap

    Ons modern economisch systeem dat ontstaan is ergens in de middeleeuwen en een enorme sprong voorwaarts heeft gekend door de Verlichting en de daaropvolgende industriële revolutie, heeft enorme prestaties geleverd. Maar de donut van Raworth toont aan dat we door datzelfde economisch systeem “niet meer in staat zijn om de rijkdom beschaafd te benutten.”[53] We zijn op vele vlakken op een kantelpunt gekomen. Dit alles vraagt een paradigmaverschuiving waarbij het huidige winststreven en individualisme de belangrijkste slachtoffers zullen zijn. Maar dit zijn nu juist “de noodzakelijke uitgangspunten van het gedachte-experiment dat de moderne economie is” (Hans Achterhuis).
    Deze revolutie gaat niet makkelijk zijn. Immers, “wanneer je eenmaal een regelstelsel en instituten hebt opgebouwd die systematisch concurrentie boven samenwerking stellen, en winst boven lonen, kwantiteit boven kwaliteit, en de consumptie van vandaag boven de schaarste van morgen, dan is het te laat om te weten wanneer je moet stoppen, en te moeilijk om te stoppen.” [54] Dit vraagt in de eerste plaats een immense mentale omkering. Onze politici zullen dat onmogelijk kunnen bolwerken. Ik heb oprecht met hen te doen. De uitdagingen waarvoor zij staan zijn onmenselijk hoog. Al beseffen ze dat amper. De lokroep voor een Grote Leider à la Trump zal nog sterker worden dan ze nu al is. [55] “Maar, zoals economist en Nobelprijswinnaar Paul Krugman, grappig opmerkt: “Het idee dat [we zitten] te wachten op een miljardair-zakenman die op een wit paard komt aanrijden - of eigenlijk in een zwarte limousine wordt voorgereden - is gewoon dwaas. Het is in feite iets wat alleen een miljardair kan geloven.” [55] We moeten niet wachten op de reddende engel. Het zal moeten komen van onderuit, zoals altijd. We hebben een nieuw narratief nodig voor onze economie: allen samen zorgen we voor de waardecreatie: huismannen, huisvrouwen, werknemers, werkgevers, overheden, politici, ambtenaren, vrijwilligers in de zorg, zelfstandigen, werklozen, (super)rijken … Samen, in een collectief en democratisch proces, bepalen we hoe onze economie er zal uitzien, hoe we onze economische verplichtingen kunnen realiseren. De transitie zal moeilijk zijn en ik denk zelfs dramatisch. Dat mag ons niet tegenhouden. In de volgende artikels wordt dit verder opgenomen:
    - Het vriendelijk bedrijf (februari 2023)
    - De vriendelijke persoon (maart 2023)
    - Naschrift en bronnenlijst (maart 2023)

    Nog even dit

    Een uitgebreide bronnenlijst verschijnt samen met het naschrift in maart 2023. De hier vermelde boeken zijn te verkrijgen via Barbóék en de betere boekhandels.

    [1] VEREERTBRUGGHEN, P. “Over mensenrechten – 1: de initia”, in: Het Verzet, 06.12.2019 (www.hetverzet.eu)
    [2] RAWORTH, K. De Donut economie, In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, Nieuw Amsterdam, 2019, 9789046824795
    [3] VPRO Tegenlicht zond een uitstekende inleiding uit op de Donut Economie: De Donut Economie (26 nov. 2017)
    [4] De 12 dimensies van het sociale fundament zijn afgeleid van de Duurzameontwikkelingsdoelstellingen (VN, 2015). Dat is dus ruimer dan louter economie.
    [5] Deze ecologische plafonds zijn afkomstig van de planetaire grenzen zoals die zijn beschreven door het Stockholm Resilience Centre (2007). Kate Raworth vervolledigde deze met het sociaal fundament.
    [6] Een eenvoudige Nederlandstalige toelichting voor elk van de punten vind je op 21st Century Economics.
    [7] Ik heb wel wat opmerkingen bij haar donut approach. De belangrijkste is dat ze binnen het sociale fundament geen onderscheid maakt tussen het geestesleven en het economisch leven. Hierdoor lijkt het alsof voor uitdagingen rond schaarste (water, energie,…) gelijkaardige antwoorden bestaan als voor uitdagingen rond overvloed (inspraak, opleiding, …). Het neemt de kracht van dit model niet weg.
    [8] VEREERTBRUGGHEN, P., “Moeder, waarom werken wij? 2. De storm”, in: www.hetverzet.eu, 27.10.2022
    [9] TIMMER, D. “Extreme rijkdom is een probleem en een rijkdomsgrens kan de oplossing zijn”, in: www.scientias.nl, 12 september 2021.
    [10] zie ook: TIMMER, D. Thresholds and limits in theories of distributive justice, Quaestiones Infinitae, Volume 133 Publications of the Department of Philosophy and Religious Studies, Utrecht University, p. 175
    [11] In Europees verband spreekt men van een risico op armoede als men een inkomen heeft dat lager is dan 60% van het doorsnee inkomen. Wat eigenlijk een rare berekeningswijze is, want zo zullen er altijd mensen zijn met een risico op armoede.
    [12] Volgens de website Luxatic zijn dit de tien zaken waar de superrijken in 2020 hun geld aan uitgaven: 1. Privé Jets; 2. Afrikaanse Safarivakanties; 3. Dure auto's; 4. Vliegen in luxeonderwatervliegtuigen; 5. Wedden in stijl; 6. Binnen- en buitenzwembaden; 7. Liefdadigheidsdonaties; 8. Vakanties of vakantiereizen; 9. Luxe onroerend goed; 10. Investeren in kostbare juwelen.
    [13] PICKETT, K., WILKINSON, R., The Spirit Level: Why More Equal Societies Almost Always Do Better, Penguin Books, 2009, 9780141032368
    [14] VERHULST, J., De arbeid bevrijden, werkdocument van Nicolaas, s.d. (1999?), p. 2. Een PDF van het document kan aangevraagd worden bij Het Verzet. Mijn inzichten en bijdragen aan Het Verzet zijn veel verschuldigd aan de geschriften van Jos Verhulst.
    [15] DECI, E.L., Why we do what we do. Understanding self-motivation, New York, Penguin books, 1995.
    [16] PINK, D., Drive. De verrassende waarheid over wat ons echt motiveert. 2016, Business Contact, 9789047009672. Een goede introductie geeft hij op deze Ted Talk. Naar mijn gevoel is Deci’s belonging een onderdeel van of zelfs een synoniem voor purpose.
    [17] Zie Vlaanderen.be
    [18] Zie hierover Kind en gezin
    [19] HARD, K., The Memory Bank: Money in an Unequal World, Profile, 2000, 9781861972088 p. 201
    [20] Illich sprak over schaduwarbeid. Deze arbeid is niet gemonetariseerd, wordt dus economisch niet gezien en de waarde die ze schept wordt niet meegeteld in het bbp, dus draagt ze niet bij tot onze economische groei. Geen wonder dat de politiek deze arbeid ofwel wil monetiseren ofwel wil vergeten.
    [21] JACKSON, T., Voorbij de groei. Het leven na het kapitalisme, EPO, 2022, 9789462673540, p.148
    [22] PINK, D. ibidem.
    [23] Zie voetnoot [24] in de vorige bijdrage: 3. Tien vragen.
    [24] Tijdens het finaliseren van mijn reeks ontdekte ik online een boeiende reeks over economie onder dezelfde titel: CORNELIS, A., ‘Moeder, waarom werken wij?’, in: deMens.nu, Unie Vrijzinnige Verenigingen, mei 2021. Zijn boeiende vierdelige longread is breder opgevat. Hij vertrekt van en bespreekt de inzichten van het schitterende boek ‘Werk’ van James Suzman. Audrey Cornelis komt onder meer tot gelijkaardige inzichten dan ikzelf. Het ontbrak me aan tijd om sommige van zijn inzichten te verwerken, m.n. over het basisinkomen. Sorry Aubrey.
    [25] Een goede, korte Nederlandstalige introductie op Ayn Rand vind je op Nederlands Centrum voor Kapitalisme.
    [26] Dit mensenrecht is ook opgenomen in artikel 23 van onze Belgische grondwet: Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.[…] Die rechten omvatten inzonderheid :1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;3° het recht op een behoorlijke huisvesting;4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing;6° het recht op gezinsbijslagen.
    [27] Mede-oprichter Steven Janssens maakte een documentaire over hun initiatief in het Oegandese dorp Busibi. De inwoners kregen via een mobiele telefoon maandelijks een basisinkomen op hun rekening gestort: 16 euro per volwassene, 8 euro per kind. De resultaten zijn indrukwekkend.
    [28] Ze zitten hier in de lijn van het idee van Nobelprijswinnaars Banerhjee en Duflo die voorstelden om de armen een spaarrekening te geven waar we rechtstreeks kunnen op storten om hen te helpen. BANERJEE A. & DUFLO E., Arm en Kansrijk, NieuwAmsterdam, 2011, 9789046811702, p. 271
    [29] GRUWEZ, CHR., “De veelge(p)laagde werkelijk­heid van het geld”, in: Klaas Commentaarbladzijden, VII-5, mei 1999, p. 20
    [30] VERHULST, J., Basisinkomen, Landrente en Sociale Driegeleding, Autoreferaat van de uiteenzetting op de conferentie 'Lichtbaken' (2017), Academia.eu
    [31] Zie bijvoorbeeld de lijst van 25 internationale organisaties op www.humanrightscareers.com. Voor Vlaanderen vind je een lijst op www.netwerktegenarmoede.be.
    [32] Een typisch antwoord is dat van OXFAM: “Wat verwacht jij dat je inkomen dekt? Toch minstens dat je er je huur, voldoende voedsel en essentiële zaken zoals schoolkosten en basisgezondheidszorg mee kan betalen. Wat overblijft houden we opzij, voor als het eens tegenslaat. Dat noemen we een ‘leefbaar inkomen’ hebben.”
    [33] Net op het moment van het publiceren van deze bijdrage ontvang ik het januarinummer van het tijdschrift Samenleving & Politiek, een jubileumnummer voor het 30-jarig bestaan van het tijdschrift. Het is volledig gewijd aan rijkdom en de rijksten, met speciale aandacht voor België. Ik kan hun inzichten spijtig genoeg niet meer verwerken in mijn bijdrage. SamPol, Samenleving & Politiek, Jaargang 30, 2023, nr. 1 (januari)
    [34] ROBEYNS, I., Rijkdom, Hoeveel rijkdom is nog verantwoord, Promotheus, 2019, 9789044639759, p. 10
    [35] Zie een korte Nederlandstalige samenvatting van het onderzoek: BUSKENS, V. , INGRID ROBEYNS, I. “Wanneer is iemand te rijk?”, in: Sociale Vraagstukken, 11 januari 2021
    De oorspronkelijke onderzoeksresultaten vind je in ROBEYNS. I., et. al. How Rich is Too Rich? Measuring the Riches Line, Springer, november 2020
    [36] ROBEYNS, I., ibidem
    [37] Een tweet van haar geciteerd in BROERE, AD, Geld in de bijrol, p. 206
    [38] VERHULST, J. “Grond’, in: Klaas’ Commentaarbladzijden, 2000, VIII, 10, 47-49. “Wie grond bezit, beschikt eigenlijk over een levensrecht. Grond is immers geen economisch goed: het wordt niet geproduceerd en evenmin verbruikt.”
    [39] STEINER, R., Economie. De wereld als één economie, Nearchus, 2019, 9789492326034.
    Een goede introductie in de economische gedachten van Rudolf Steiner vind ik SCHARMER, C., Ten Economic Insights of Rudolf Steiner. Returning ‘eco’ to Economics. , in: Kosmosjournal, september 2019.
    [40] Gesell introduceerde ook het begrip van ‘Freiland’. Alle grond is gemeenschappelijk bezit of anders eigendom van openbare instellingen. Het is immers een product van de natuur en niet van mensen en behoort dus aan iedereen toe. Grond kan alleen worden gehuurd van de gemeenschap respectievelijk van de overheid, niet gekocht. Meer over Gesell en de Engelstalige tekst van zijn samenvattend laatste werk vind je op de website van Silvio Gesell-website.
    [41] Wikipedia, Silvio Gesell
    [42] Zie tekst van dit hoofdstuk uit het boek van Keynes op Geldreform
    [43] BENAMMER, K. “De waarde van ideeën”, in: Denken over geld en waarde. 23 sleutelteksten, Parrèsia, 2013, 978-90-73040-09-0, p. 11 en in dit boek: LIETAER, B. “Het geld van de toekomst”, in: idem, p. 61-67
    [44] FOSTER, E.M. Overtocht naar India, Atheneum, 2019, 9789025309992, p. 185. Grappig is overigens dat de Brit Fielding hier absoluut niet akkoord mee gaat. Zijn antwoord: “Een stuiver gespaard, is een stuiver gewonnen.”
    [45] BROERE, AD, idem, p. 211
    [46] Ik beperk me hier tot de economisch wereld op het macroniveau, de samenleving. In volgende bijdragen zullen we het hebben over het meso-niveau (bedrijven) en het microniveau (persoonlijk).
    [47] ROBEYNS, I., ibidem
    [48] SAEZ, E en ZUCMAN, G., The Triumph of Injustice: How the Rich Dodge Taxes and How to Make Them Pay, WW Norton, 2019, 978-0-393-53173-2
    [49] Voor zij die deze eerste wet gaarne nog eens horen: “ Een voorwerp waarop geen resulterende kracht werkt, is in rust of beweegt zich rechtlijnig voort, met constante snelheid”
    [50] CHANG, H.-J., 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme, Nieuw Amsterdam, 2011, 978904680963 (eBook), p. 232
    [51] “Toen de zorgen van de vorstin ter ore kwamen van de British Academy, belegde deze op 17 juni 2009 een bijeenkomst van een aantal topeconomen uit de academische wereld, de financiële sector en de overheid. Het resultaat van de bijeenkomst werd aan de koningin overgebracht in een brief gedateerd 22 juli 2009, geschreven door Tim Besley, een vooraanstaand hoogleraar economie aan de London School of Economics, en Peter Hennessy, een vermaard kenner van de geschiedenis van de Britse overheid, verbonden aan Queen Mary, University of London. In de brief stelden de hoogleraren Besley en Hennessy dat individuele economen competent waren en ‘hun werk goed deden op de eigen merites, maar dat ze door de bomen het bos niet meer zagen’ in de aanloop naar de financiële crisis. Volgens hen was er sprake van ‘een falen van het collectieve voorstellingsvermogen van vele verstandige mensen, zowel in dit land als internationaal, om de risico’s van het systeem als geheel te zien. […] De grootste en beste Britse economen moesten dus in wezen erkennen dat ze niet weten wat er is misgegaan.” CHANG, H.-J., ibidem.
    [52] Ik verkies direct-democratische beslissingen boven de huidige parlementaire democratie. Zie hierover Democratie voor onze tijd: zelfrepresentatie. Ik ga nu niet verder in op het belang van dergelijke rechtvaardige democratische besluitvorming. Dit vormt een onderwerp van een opkomende reeks bijdragen die handelen over ons politiek bestel.
    [53] SKIDELSKY, R. en E., Hoeveel is genoeg. Geld en het verlangen naar een goed leven, De Bezige Bij, 2013, 9789085424642, p. 64
    [54] JACKSON, T., Voorbij de groei, EPO, 2022, 9789462673540, p. 180

    [55] Zie over de lokroep van dictators: GOSLINGA, M., “Zo herken je een dictator (en dat is moeilijker dan je denkt)”, in: De Correspondent, 27 december 2016
    [56] KRUGMAN, P., “Bursting the Billionaire Bubble”, in: The New York Times, 11 november 2019